‘U, burgerlieden alleen behoort de de Salon des Variétes’

De Salons des Variétés van Amsterdam en hun publiek 1839-1854

Op 2 september 1839 opende Joseph Duport de eerste Salon des Variétés van Amsterdam aan de Nes. De Salon des Variétés bood een nieuwe manier van uitgaan in Amsterdam. Een toneelprogramma van meerdere vaudevilles per avondvoorstelling in een klein luxe theater waar tijdens de voorstelling gedronken en gerookt mocht worden. De Salon van Duport was een regelrechte hit in het Amsterdamse uitgaansleven. ‘Deze volks-schouwburg wint gedurig nog al meer in aanzien en achting bij ons publiek, en de meeste avonden der week is de zaal te klein, om de toestromende menigte behoorlijk plaatsing te geven,’ zo meldde het Algemeen Handelsblad in 1840.[1] Een extra bijzonderheid van de Salon van Duport was, volgens schrijver en ‘theaterverheffer’ J.H. Rössing in 1909, dat bezoekers uit zowel de lagere als hogere en zelfs de deftige burgerij haar zouden hebben bezocht en, wegens het ontbreken van rangen, gemengd in de zaal de voorstelling volgden. Er hing een losse sfeer, er werd gebroken met de deftige omgangsvormen in het uitgaansleven die de standenmaatschappij van Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw zo kenmerkten.[2]

In 1844 werd aan de Amstelstraat de tweede Salon des Variétés van Amsterdam geopend.

Aan het begin van dat jaar was de sterspeler van het toneelgezelschap van de Salon aan de Nes, Nathan Judels (1814-1903), in een zakelijk conflict verwikkeld geraakt met Jean Eugene Duport, die zijn in 1842 overleden vader Joseph was opgevolgd als directeur. Judels besloot daarop samen met een aantal andere leden van het toneelgezelschap, Boas, Van Biene en Kapper een eigen Salon des Variétés op te richtten. De Salon van Boas en Judels, zoals die in de volksmond heette, aan de Amstelstraat werd een vrijwel exacte kopie van die aan de Nes en genoot ook een grote populariteit.[3]

In het voetspoor van Rössing wordt het egalitaire en democratische karakter van de Salons des Variétés door historici als Klöters, Blom, Groeneboer en Aerts vaak benadrukt.[4] Het uitgaansleven in de eerste helft van de negentiende eeuw liep nog voornamelijk langs de lijnen van de verschillende standen. De deftige en gegoede burgerij bezocht haar genootschappen of ging bijvoorbeeld naar het chique Théâtre Français op de Erwtenmarkt. De lagere burgerij en het volk vermaakten zich in de volkse theaters als De Ooievaar en de muziekcafés. In de Stadsschouwburg kwamen alle standen bijeen, maar tijdens de voorstelling zaten ze van elkaar gescheiden.[5]

Welke factoren met betrekking tot de bedrijfsvoering hebben bijgedragen aan de brede, wellicht standsoverschrijdende, populariteit van de Salon des Variétés? En, in hoeverre was het publiek dat de Salons regelmatig bezocht ook echt afkomstig uit zowel de deftige, als hogere en lagere burgerij? De omschakeling van een standenmaatschappij naar een meer egalitaire samenleving vond, zoals B. de Vries beschrijft, immers pas geleidelijk in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw plaats, na de bloeiperiode van de Salons des Variétés.[6]

Deze studie is een eerste aanzet tot een grondiger onderzoek naar de Salons des Variétés en hun publiek in Amsterdam in de periode van 1839 tot 1854. Beide Salons des Variétés komen hierbij aan bod. De nadruk ligt echter, vanwege de vraagstelling en het beschikbare bronnenmateriaal op de eerste Salon aan de Nes. In de eerste twee paragrafen worden de bedrijfsvoering en het toneelaanbod van de Salons onderzocht om te bezien welke aspecten daarvan aantrekkingskracht uitgeoefend (kunnen) hebben op de verschillende standen. Daarop volgt een analyse van contemporaine literaire schetsen en beschrijvingen met betrekking tot het publiek. Uiteindelijk zal aan de hand van nieuw bronnenmateriaal een duidelijker beeld van de ‘habitués’ van de Salons worden gedefinieerd. Het doek mag op voor de Salon des Variétés!

 

  1. Een commercieel bedrijf

 

De samenstelling van het publiek dat de Salons des Variétés regelmatig bezocht was deels afhankelijk van de vraag welk publiek de saloneigenaren met hun nieuwe uitgaansgelegenheid wilden bereiken. In dat geval is het belangrijk om vast te stellen dat zowel de Salon van Duport als die van Boas en Judels zuiver commerciële bedrijven waren met als doel de hoogst mogelijke opbrengsten voor de eigenaren te realiseren. Dit kwam tot uiting in de bedrijfsvoering die zich onderscheidde van de andere schouwburgen en kleinere variétézalen van Amsterdam, waardoor de Salon des Variétés zich positioneerde als uitgaansgelegenheid die om verschillende redenen aantrekkingskracht kon uitoefenen op de lagere burgerij, de fatsoenlijke burgerij en zelfs de deftige stand.

De beide Salons waren middelgrote luxe theaters. Ze hadden ongeveer 300 tot 350 zitplaatsen en nog 100 tot 150 staanplaatsen op de galerij en bij het buffet. Daarmee waren ze aanzienlijk kleiner dan de stadsschouwburg (1500 plaatsen) en iets kleiner dan de Hoogduitse schouwburg (520 plaatsen) en de Franse schouwburg (600 plaatsen). In tegenstelling tot deze schouwburgen echter waren er in de zaal van de Salons geen rangen, zoals een balkon, loge of bak. Het publiek werd hierdoor niet gescheiden naar kwaliteit van de plaats en daarmee samenhangend naar de stand of het aanzien van de bezoeker. De kleinere volkschouwburgen van Amsterdam hadden ook geen rangen. Toch waren de Salons des Variétés in vergelijking met kleine theaters als De Ooievaar of Leerzaam Vermaak duidelijk groter, luxer en beter uitgerust met een echt podium en orkestbak. De Salons namen in het theaterlandschap van Amsterdam facilitair gezien dus een middenpositie in.[7]

Een uniek kenmerk van de Salons des Variétés was dat er tijdens de voorstelling in de zaal gedronken en gerookt mocht worden. In geen van de andere grotere schouwburgen was dit het geval. Het concept van de Salon des Variétés was ontstaan in het koffiehuis de Grand Salon, dat Joseph Duport huurde aan het Rokin vanaf 1836. Hoewel hij voor acts, muziek en, in de loop van 1837, theatervoorstellingen op het kleine podium van het koffiehuis entreegelden vroeg, was de verkoop van drank waarschijnlijk de belangrijkste inkomstenbron in wat primair een horecagelegenheid was.[8] Bij de opening van het theater aan de Nes in 1839 bleef de verkoop van drank, en daar hoorde een lekker dampende sigaar of pijp natuurlijk bij, als belangrijke inkomstenbron gehandhaafd. Achter in de zaal was het buffet waar de dranken werden uitgeserveerd en in de zaal werden de klanten tijdens de voorstelling door verschillende obers bediend. De entree voor de Salon van Duport koste 75 cent ‘in vertering’, wat betekende dat de klant in ruil voor het toegangskaartje een consumptie kreeg. Om het drankgebruik in gang te zetten liet Duport in de eerste jaren standaard de voorstelling een half uur later dan aangekondigd beginnen, zodat het publiek sneller het gratis drankje zouden nuttigen.[9]

Boas en Judels, die als acteurs in tegenstelling tot Duport geen horeca-achtergrond hadden, hielden dezelfde combinatie van theater en horeca aan voor hun nieuw geopende Salon des Variétés aan de Amstelstraat in 1844. Zij verpachtten bij gebrek aan ervaring aanvankelijk het buffet aan de tapper G. Hubert die een zaak had aan de Botermarkt voor het aanzienlijke bedrag van tweeduizend gulden per jaar. Hubert kreeg van elk entreekaartje, dat ook 75 cent in vertering kostte, 15 cent voor het gratis drankje. Daar moest hij ook het bedienend personeel – dat wel fatsoenlijk diende te zijn- van betalen.[10] Na een aantal jaren kwam ook in deze Salon het buffet in eigen beheer onder leiding van de vrouw van Boas.

Een ander aspect waarmee de commerciële inslag van de Salons des Variétés van invloed kan zijn geweest op de samenstelling van het publiek is het aantal voorstellingen dat werd gegeven in verhouding tot de andere schouwburgen. Het theaterseizoen liep van de laatste week van augustus tot de eerste week van mei. De Stadsschouwburg, de Hoogduitse en de Franse schouwburg gaven gemiddeld drie voorstellingen per week terwijl dat er in de Salon van Duport vanaf 1839 zes per week waren.[11] Alleen op zondag, ‘de dag des Heeren’, mochten er geen openbare theatervoorstellingen worden gegeven van het stadsbestuur. Het relatief hoge aantal voorstellingen in de Salons des Variétés ten opzichte van andere schouwburgen komt in andere historische literatuur niet aan de orde maar is wel van belang.[12] Of je nu van deftige afkomst was, dokter of ambachtsman, op sommige dagen moesten de Salons des Variétés de enige mogelijkheid hebben geboden om naar een schouwburg met theater te gaan.[13]

Het aantal voorstellingen in de Salons moet gezien de wekelijkse frequentie tussen de honderdvijftig en tweehonderd voorstellingen per seizoen hebben gelegen. Vreemd genoeg zien wij dat niet terug in de afdracht van armengelden. Op alle publieke vermakelijkheden waarvan de entreegelden ‘in gelag’ of ‘in vertering’ werden aangenomen diende vijf procent van de bruto entreeopbrengst afgedragen te worden ten behoeve van de armenkas van het stadsbestuur.[14] In het eerste seizoen van de Salon aan de Nes, 1839-40, droeg Duport slechts vijfenzeventig gulden af. Uitgaande van een maximale capaciteit van vijfhonderd bezoekers komt dit overeen met vijf uitverkochte voorstellingen. Dat staat niet in verhouding tot het grote aantal voorstellingen, dat er gegeven werd in de Salon aan de Nes. Misschien was dit armengeld onderhandelbaar en had Duport een goede deal gesloten.[15] Vanaf het seizoen van 1840 droeg de Salon van Duport jaarlijks driehonderd gulden aan armengeld af, nog altijd een erg laag bedrag, zeker gezien het feit dat er in de zomer van 1840 een capaciteitsuitbreiding met een tweede galerij plaatsvond. Ook de Salon des Variétés van Boas en Judels betaalden vanaf de opening in 1844 eenzelfde laag bedrag van driehonderd gulden per jaar aan de armenkas.[16]

De commerciële instelling van de eigenaren van de Salons des Variétés komt in het register voor armengelden nog op een ander punt naar voren. Naast de vaste jaarlijkse afdracht van armengeld komen we Jean Eugène Duport, Boas, Judels en hun compagnons Biene en Kapper regelmatig tegen met afdrachten voor extra voorstellingen of evenementen. Toen in de jaren vijftig bals masqués weer in zwang kwamen, werden er verschillende door de saloneigenaren georganiseerd. Daarnaast huurden zij een aantal keren de Franse of Hoogduitse Schouwburg af voor het geven van extra voorstellingen. Hieruit blijkt dat de directeuren van de Salons actief reageerden op de vraag van het publiek buiten de eigen voorstellingen om.[17] De afwijkende aanvangstijd van de voorstellingen in de Salons des Variétés, namelijk acht uur, lijkt hier eveneens op te wijzen. De stadsschouwburg begon om zes uur en de Franse en Hoogduitse schouwburg om zeven uur. Er zijn aanwijzingen dat een latere aanvangstijd beter aansloot bij het veranderende leefpatroon van vooral de gegoede burgerij en de middenstand die tot na vijf uur doorwerkten.[18]

Voor de deftige standen lag dit anders. Die waren gewend om ’s avonds laat nog een licht souper tot zich te nemen en dat kwam door de latere aanvangstijd in het gedrang.[19] Deze laatste doelgroep schijnt echter niet de primaire groep te zijn geweest waar de Salons zich op richtten. Dat blijkt onder andere uit de prijs van het entreekaartje van beide Salons. Er waren geen rangen in de Salon dus iedereen betaalde 75 cent. Voor de driehonderd zitplaatsen gold ‘wie het eerst komt die het eerst maalt’. Als we het gratis drankje ter waarde van drie stuivers er af halen komt de prijs van een kaartje voor de Salons, zestig cent, overeen met het goedkoopste kaartje van de Hoogduitse schouwburg en het een na goedkoopste kaartje van de Stadsschouwburg. In de Stadsschouwburg was dat een plaats in het tweede amfitheater en dat werd samen met de gaanderij, dat een dubbeltje duurder was, voornamelijk bevolkt door de lagere burgerij. Met de prijsstelling van het entreekaartje waren de Salons des Variétés voor deze omvangrijke groep betaalbaar, hoewel het voor de onderste regionen van deze groep gezien haar economische situatie onwaarschijnlijk was dat zij regelmatig naar het theater konden gaan.[20] Voor de hogere standen waren de Salons des Variétés beslist goedkoop en dat was voordelig. De gegoede burgerij zocht in deze periode namelijk steeds vaker haar vertier buitenshuis.[21]

 

  1. De vaudeville en zijn sterspelers

 

Om het beeld van het vaste publiek dat de Salons des Variétés regelmatig bezocht scherper voor ogen te krijgen, is het zinvol om het repertoire dat in de Salons op de planken werd gebracht nader te onderzoeken. Het soort toneel en de kwaliteit van het toneelgezelschap zal immers invloed hebben uitgeoefend op de populariteit van de Salons en op de samenstelling van het publiek. Zowel in de Salon van Duport als in die van Boas en Judels werden overwegend ‘vaudevilles’ opgevoerd. De vaudeville had waarschijnlijk zijn oorsprong in de grote steden van het Frankrijk van de Revolutie. Het waren korte blijspelen doorspekt met liedjes die over alledaagse onderwerpen en alledaagse mensen handelden met prachtige titels als ‘Loods, de scheepstimmerman en het garnaalmeisje’ of ‘De bloedzuigers of de Minnehandel in de apotheek’. Geen goden, klassieke helden of koningen bevolkten het toneel maar wasmeisjes, scheepjongens, schoolmeesters en vrekkige bankiers. Het publiek kon zich daardoor identificeren met de personages op het toneel die bij het ontbreken van een diepzinnige verhaallijn vooral door dik aangezette komische typetjes en vlotte dialogen uit de verf moesten komen.[22] De meeste vaudevilles waren uit het Frans vertaald. In Frankrijk waren er vanaf het einde van de achttiende eeuw duizenden geschreven, maar er waren ook vergelijkbare Nederlandse ‘zangspelen’ bijvoorbeeld van de hand van Jacob Dessauer.[23]

Het publiek van de vaudeville en vergelijkbare genres wordt in de historiografie vanwege de volkse oorsprong, eenvoud, en thema’s vooral geassocieerd met de lagere burgerij. Dit stoelt op de gedachte dat de vorm van de cultuurconsumptie voor een groot deel werd bepaald door de sociale achtergrond van het publiek. Vanuit deze gedachtegang zou het programma van de Salons des Variétés weinig aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op de hogere en deftige standen die meer elitaire vormen van toneel zouden appreciëren. In zijn studie naar het theaterbezoek in Rotterdam in de negentiende eeuw toont H. Gras echter aan dat dit niet per se het geval hoefde te zijn. De hoofdreden voor publiek om naar het theater te gaan was om vermaakt te worden. De vorm van dat vermaak en dus de smaak van het publiek deed er minder toe.[24]

De vaudeville was ten tijde van de oprichting van de Salon van Duport in de mode. Op de kermis en in de kleine volkstheaters van Amsterdam werden ze al jaren opgevoerd maar in de schouwburgen werden ze zelden geprogrammeerd, omdat de directies en toneelcritici ze niet als toneel of kunst beschouwden, maar als plat vermaak. De Stadsschouwburg met zijn verheffingsidealen programmeerde veel treurspelen en in de Franse en Duitse schouwburg was het vooral opera wat de klok sloeg. Als daar al vaudevilles werden opgevoerd, dan was dat in het Frans of Duits. De Salon des Variétés van Duport vond met zijn vaudevilleprogramma dus een niche in de uitgaansmarkt van Amsterdam. Voor de fatsoenlijke burgerij hadden volkstheaters die ook wel vaudevilles ten tonele brachten, zoals de Ooievaar of Leerzaam Vermaak, een bedenkelijke reputatie vanwege het lage volk dat er kwam, waarbij ook de acteurs vaak nog te wensen over lieten.[25] Voor een avond licht theateramusement in een fatsoenlijke schouwburg moest men in de Salon des Variétés zijn.

Vaudeville was misschien geen kunst, maar in de Salon des Variétes werd ze uitgevoerd door een professioneel, goed ingespeeld, theatergezelschap. Dat bestond bij de opening van de Salon van Duport in 1839 uit zestien leden inclusief het orkest. Het merendeel was joods, net als Duport zelf, en had als muzikant of acteur al vaak samengespeeld in de kindergezelschappen van de eerder genoemde Jacob Dessauer wiens zangspelen ook in de Salon van Duport werden opgevoerd.[26] In het zomerseizoen wanneer de schouwburgen in de stad gesloten waren, ging het gezelschap te eigen bate alle grote kermissen van het land af om in een houten tent de hoogtepunten van het vaudevilleprogramma van het theaterseizoen te spelen.[27] De leden van het gezelschap waren daardoor goed op elkaar ingespeeld en kenden een uitgebreid vaudevillerepertoire. Dit was noodzakelijk, gezien het grote aantal voorstellingen van verschillende vaudevilles dat in de Salon des Variétés tijdens het theaterseizoen werd gegeven. Ondanks het uitgebreide repertoire bleef de kwaliteit van het vertoonde spel hoog.[28]

Deze hoge kwaliteit had ook te maken met het strakke regime dat er in beide Salons werd gevoerd ten opzichte van het toneelgezelschap. De acteurs en het orkest waren het hele theaterseizoen in dienst van de Salon en werden per week uitbetaald. Alle leden waren verplicht het reglement van de Salon te ondertekenen. Dat bestond uit 37 bepalingen waarin heel gedetailleerd de verplichtingen van de verschillende leden van het gezelschap – veelzeggend ‘sujetten’ genoemd- ten opzichte van de werkgever werden omschreven. Er waren bepalingen over het op tijd komen voor repetities en voorstellingen, en over gedrag, ziekteverzuim en drankgebruik. Op overtredingen stonden boetes variërend van vijftig cent voor het verkeerd opkomen tijdens de voorstelling tot een compleet weeksalaris van vijfentwintig gulden voor het verstoren van de voorstelling en in sommige gevallen naast de boete ontslag op staande voet. Het reglement was door Duport bij de opening van de Salon aan de Nes in 1839 opgesteld en werd door Boas en Judels bij de opening van hun Salon in 1844 een op een overgenomen.[29]

Door de vele verschillende voorstellingen per seizoen speelden dezelfde acteurs en actrices veel verschillende rollen, maar bleven zij door hun persoonlijke invulling altijd herkenbaar voor het publiek. Dit had ook te maken met de speelstijl van de vaudeville waarin veel ruimte was voor improvisatie. Er werd veel gebruikt gemaakt van de ‘terzijde’ waarin de acteur of actrice uit het spel stapte en het publiek aansprak, vaak om een komische opmerking te maken. De vele liedjes, die vaak een satirische ondertoon hadden, werden naar het publiek toe gezongen en omdat ze eenvoudig waren qua tekst en melodie werden ze vaak aangepast naar actuele gebeurtenissen. De komiek die in ieder vaudevillegezelschap een belangrijke plaats innam was in feite de voorloper van de huidige cabaretier.[30] Deze factoren samen zorgden ervoor dat sommige acteurs en actrices van de Salon des Variétés uitgroeiden tot echte sterren met grote bekendheid in de stad en door de zomerse kermissen zelfs daarbuiten. De beste voorbeelden hiervan zijn Nathan Judels, de mede-eigenaar van de Salon aan de Amstelstraat, en Maria Kleine Gartman die de grote publiekstrekker van de Salon van Duport werd na het vertrek Judels in 1844. Zij waren beiden uitzonderlijke talenten en hun populariteit waar het succes van de Salons voor een groot deel op dreef was mijns inziens standsoverschrijdend. Mensen uit de lage en gegoede burgerij, maar misschien ook uit de deftige stand kwamen speciaal naar de Salon des Variétés om beide te zien schitteren.[31]

Het beroemde verhaal over de totstandkoming van de Salon de Variétés van Boas en Judels illustreert dat Judels talent en innemendheid verschil in stand teniet konden doen. Nadat Judels, Boas, Biene en Kapper, allen van eenvoudige komaf en jood, bij de Salon van Jean Eugene Duport in 1844 waren vertrokken, bood de vermogende timmerman en makelaar Jan Feije aan om een nieuw theater te financieren en te bouwen aan de Amstelstraat. Het rekest voor de bouw van het theater werd echter door het stadsbestuur afgewezen. Judels liet het er niet bij zitten. Tijdens de oorlog tegen de Belgen in 1830 had hij voor het leger opgetreden waar de toenmalige kapitein van de schutterij Mr. Anthony Brugmans aanwezig was. Die was zo onder de indruk van de jonge Judels dat hij hem aansprak en aangaf dat wanneer hij iets voor hem kon doen hij dat maar moest laten weten. In 1844 brak dat moment aan, maar inmiddels was Brugmans stadsadvocaat van Amsterdam en schoonzoon van Minister van Justitie van Maanen. Met knikkende knieën belde Judels aan bij Brugmans statige pand aan de Herengracht. De advocaat herkende Judels echter meteen en beloofde dat hij diezelfde middag in een al geplande vergadering met de burgemeester en de politiecommissaris zijn zaak zou bepleiten. Het rekest werd alsnog goedgekeurd en Amsterdam kreeg zijn tweede Salon des Variétés aan de Amstelstraat.[32]

De Salon van Boas en Judels zou de populariteit van de vaudeville overleven en in de jaren zestig overgaan op operettes en spektakelstukken.[33] Hoewel de vaudeville als genre vooral bij lagere burgerij geliefd moet zijn geweest, had zij als vorm van vermaak waarschijnlijk een bredere uitstraling. De kwaliteit van de toneelgezelschappen in beide Salons en de aanwezigheid van echt beroemde sterspelers binnen deze gezelschappen zijn wat dat betreft zeker van invloed geweest. De vaudeville zou daardoor ook niet geheel verdwijnen. De populaire liedjes waren tot ver in de negentiende eeuw nog te horen in de cafés chantants van Amsterdam.

 

  1. De Salons des Variétés en hun publiek in contemporaine beschrijvingen en literatuur

 

In de secundaire literatuur worden de Salons de Variétés vaak maar kort besproken en altijd passeren dezelfde aspecten de revue: mensen van alle rangen en standen zaten naast elkaar, de losse sfeer en uiteraard de nieuwigheid van het drinken en roken tijdens de voorstelling. De reden hiervoor is dat deze aspecten natuurlijk nieuw en bijzonder waren in het uitgaansleven van Amsterdam rond 1840. Voor een deel echter, lijkt het feit dat de kennis van de Salons en hun publiek vooral gebaseerd is op een beperkt aantal literaire beschrijvingen, hier debet aan. Van deze literaire beschrijvingen mag De Salon des Variétés van Johannes Kneppelhout, alias Klikspaan, uit 1844 met recht de ‘oerbron’ worden genoemd. Als een van de grote schrijvers van de negentiende eeuw is zijn scherpe blik en begenadigde pen voor latere schrijvers en historici eenvoudigweg te aanlokkelijk om niet te gebruiken als het om de Salon des Variétes gaat. In deze paragraaf zal ik aantonen dat het veelvuldige gebruik van Kneppelhouts verhaal een vertekend beeld heeft opgeleverd met betrekking tot de periode waarin de deftige stand tot het vaste publiek van de Salons de Variétés gerekend kan worden.

Hoewel Kneppelhout in zijn meeste werk de werkelijkheid op een scherpe, realistische maar ook schilderachtige manier beschreef, dient men wat betreft de historische werkelijkheid natuurlijk een slag om de arm te houden.[34] De Salon des Variétés was tenslotte een verhaal. In hoeverre kunnen we zijn beschrijving van de Salon van Duport en haar publiek voor echt aannemen? Het verhaal gaat over een familie uit de deftige stand die de Salon aan de Nes bezoekt.

 

‘Somwijlen echter, gelijk voorheen de goden in menselijke gedaante nederdaalden op de aarde, verwaardigen zich heren en dames uit de hogere kringen, begerig te weten, hoe het toch wel in die zo vaak besproken Schouwburg in de Nes toegaat, en of die voorstellingen waarlijk zo aardig zijn als sommigen voorgeven, zich onder die burgerlijke en dienstbare gestalten te mengen.’[35]

 

Uit de gedetailleerde beschrijving van het theater blijkt dat Kneppelhout er echt is geweest. Als contrast schetst hij voor de entree van de deftige familie uitgebreid het vaste publiek van de Salon: de kantoorjongen, de stuurman, de winkelier, de dienstmaagd, de boerin, de koopman in het klein, de beunhaas, het renteniertje, maar ook de advocaat, de geneesheer, en de boekhandelaar.[36]

Het deftige gezelschap houdt zich tijdens de voorstelling vooral bezig met grappen over het mindere publiek dat hen omringt. Kneppelhout kwam zelf uit de deftige stand en was zeer vermogend. De strekking van het verhaal is dan ook zijn kritiek op de schijnbeschaving van zijn standsgenoten dat zich volgens Kneppelhout uitte in neerbuigend gedrag naar de lagere standen.[37] Het decor van de Salon aan de Nes lijkt daarom opzettelijk en goed gekozen om dit thema uit de doeken te doen. De dik aangezette maar positieve typering van de burgerij op zijn breedst en de losse sfeer doet een liberale emancipatiedrang vermoeden, maar dient toch vooral om zijn punt ten opzichte van zijn standsgenoten te maken. Toch blijft zijn beschrijving van de avond, onder andere van Judels, de echtheid van het beeld van de Salon ondersteunen en wat betreft de vraag of de deftige standen wel echt in de Salon van Duport kwamen komt de bevestiging daarvoor uit twee andere contemporaine bronnen.

De advocaat, politicus en schrijver Mr. Jacob van Lennep, afkomstig uit de elite van Amsterdam, schrijft in februari 1840 een brief aan zijn vriend Aert Veder waarin de Salon van Duport genoemd wordt:

 

‘Het is tegenwoordig genre om te gaan naar de Variétés, een schouwburg in de Nes, waar men in een tastbare tabaksdamp zit, (zoo men al het geluk heeft eene zitplaats te bekomen), (…) Mijn vrouw is er geweest met Hodson, Roëll, den generaal Boreel, Deutz enz., al wat men edel noemt, en hunne respectieve dames. (…) Zij zeggen dat de acteurs vrij goed spelen.’[38]

 

Dit wordt vervolgens weer onderschreven door een recensie uit het Algemeen Handelsblad van 17 februari 1840:

 

‘De Salon des Variétés in de Nes begint zich van lieverlede tot zulk een hoogte te verheffen, dat dezelve weldra den naam van Schouwburg zal waardig gekeurd worden. De aanzienlijke ingezetenen dezer stad bezoeken dezelve bij herhaling, (…) Op Zaterdag en Zondag is de zaal gewoonlijk propvol. En ook op overige dagen der week ontbreekt het nog aan zitplaatsen.’[39]

Het beeld dat de deftige stand de Salon van Duport regelmatig heeft bezocht lijkt dus te kloppen. Daar dient echter wel de kanttekening bij gemaakt te worden dat dit niet automatisch het geval was voor de hele onderzoeksperiode. Deze drie bronnen zijn de enige die de deftige stand in de Salon des Variétés expliciet noemen. Het is opvallend dat ze alle drie betrekking hebben op het eerste seizoen 1839-1840 van de Salon van Duport, ook De Salon des Variétés van Kneppelhout. Hoewel het verhaal in 1844 werd uitgebracht en in 1843 is geschreven speelt het zich vrijwel zeker af in het seizoen 1839-1840. In de uitgebreide beschrijving die Kneppelhout van de Salon geeft heeft hij het enkele malen over de galerij. In het zomerseizoen van 1840 liet Duport echter een tweede galerij in zijn salon bouwen om meer publiek kwijt te kunnen. Deze tweede galerij vinden we in de gedetailleerde beschrijving van Kneppelhout niet terug.[40]

In de volgende literaire beschrijving De physiologie van Amsterdam door een Amsterdammer van Jan de Vries uit 1844 wordt geen enkele beschrijving gegeven van het publiek. Dat is opvallend omdat sociale verhoudingen een wezenlijk onderdeel vormden van het physiologiegenre. Blijkbaar viel daar in tegenstelling tot wat Kneppelhout beweerde niets bijzonders over te melden. Het is zeker na Kneppelhouts verhaal geschreven, omdat die een aantal keren wordt aangehaald en op het vertoonde spel na is de teneur negatief. Wel beschrijft de Vries de tweede galerij die in Kneppelhouts verhaal achterwege blijft. Uit de toon is op te maken dat fatsoenlijke mensen de Salon des Variétés vanwege de middelmatigheid van de vaudeville, de consumpties en de mensen die er werkten niet zouden waarderen.[41]

Ook Een Drentsch Gemeenteassessor met zijne twee neven op reis naar Amsterdam, in ’t voorjaar van 1843 uit 1845 dat een hoofdstuk wijdt aan de Salon van Duport, leunt voor een groot deel op Kneppelhout. Een kwart van het stuk is zelfs een letterlijk citaat uit De Salon des Varietés. Het publiek van de Salon dat in het reisverhaal van de drie Drentenaren wordt omschreven is dat van de brede burgerij. Een slagersknecht, klerk, trekschuitkapitein, apothekersbediende, studenten, onderofficieren en een ‘enkele dandy of wat’ achter in de zaal. Aanzienlijken en hogere vrije beroepen ontbreken. In een later hoofdstuk over Frascati gaan oom de assessor en zijn neven wel in op de losse omgang tussen de hogere en lagere standen. Het valt dus op dat dit bij het verhaal over de Salon van Duport niet het geval is.[42]

In de onuitgegeven schets van schrijver W.J. Hofdijk, die vermoedelijk uit 1860 stamt, draait het vooral om het verval van het toneel als kunstuiting en de bedenkelijke rol die de Salon des Variétés daarin gespeeld hebben. Hij vindt dat de ‘ondernemers-zucht’ van de Saloneigenaren hier onder andere debet aan is. Van het publiek heeft Hofdijk dan ook geen hoge dunk:

‘Een ruimere gelegenheid tot plaatsing, tegenover een gemakkelijker te bevredigen publiek – want het zijn de fijnste beminnaars en hoogschatters der dramatische kunst niet, die haar zoeken te midden eens lieflijken dampkrings van sigarenrook, punch, walmen groggeur – (…) deed meer dan een talent, waarin geniale vonken kiemden (…), zich mengen, ja soms verliezen in de middelmatigheid, die zich tusschen de schermen der Salons des Variétés met veel zelfbehagen, meestal ook met de toejuiching van een nog minder dan middelmatig ontwikkeld publiek, beweegt.’[43]

Kritiek op het vanuit kunstoogpunt simpele vaudevilletheater komt in alle besproken literaire beschrijvingen voor en dat vanuit hetzelfde oogpunt het publiek automatisch middelmatig ontwikkeld moet zijn geweest wil niet direct zeggen dat het hier alleen lagere standen betreft. Toch is het weinig aannemelijk dat Hofdijks uitlatingen in de schets de hogere burgerij en de deftige stand omschrijven. Die werden tenslotte wel geacht een bepaalde mate van ontwikkeling te bezitten.

De laatste twee beschrijvingen Amsterdam en de Amsterdammers uit 1875 en Amsterdam in stukken en brokken uit 1892, vallen buiten de onderzoeksperiode en bevatten alleen zijdelingse uitspraken over de Salons die niet specifiek zijn. Er zit ook meer dan dertig jaar tussen de beginperiode van de Salons en de eerste van deze uitgaven. In beide wordt het beeld geschetst dat de Salons in de beginperiode een fatsoenlijk publiek hadden dat door de jaren heen van minder allooi werd. Wat betreft de deftige stand zegt de jongste bron: ‘Ook in het midden van deze eeuw kwamen de beste Amsterdamse familiën er nog heen, om er kunstgenot te zoeken in het Salon van Duport.’[44] De tijdsaanduiding is vaag maar het punt dat de deftige standen de Salons niet de hele onderzoeksperiode gefrequenteerd hebben is duidelijk. Ook wordt de deftige stand alleen in verband gebracht met de Salon van Duport. De Salon van Boas en Judels zou vanaf het begin in 1844 al een minder fatsoenlijk publiek gehad hebben volgens de vroegste bron.[45]

De prominente plaats die De Salon des Variétés van Kneppelhout in de beschrijvingen van de Salons inneemt lijkt het beeld te hebben gecreëerd dat zowel de deftige standen, als de hogere en lagere burgerij de Salons gedurende hun hele bestaansperiode bezocht hebben. Dit beeld is door Rössing en vervolgens door theaterhistorici als Blom, Groeneboer en Klöters overgenomen.[46] Nadere analyse van de beschrijvingen wijzen er echter op dat de deftige standen voornamelijk de Salon van Duport regelmatig hebben bezocht in het eerste jaar na de opening aan de Nes in 1839. De nieuwe vorm van uitgaan die de Salon des Variétés bood heeft in dit geval de interesse van de deftige stand slechts tijdelijk en voor een korte periode gewekt. Voorts valt uit de beschreven personen van het aanwezige publiek en de indirecte kwalificaties op te maken dat het gros van het publiek behoorde tot de lagere burgerij. De slagersknecht, de winkelier, de kantoorbediende. Beroepen uit de hogere burgerij, zoals advocaat of dokter, worden namelijk minder vaak genoemd en krijgen bij Kneppelhout nog een speciale vermelding dat zij er ook kwamen.[47]

 

  1. Collegie De Hereeniging

 

Hét probleem bij het vaststellen van de sociale samenstelling van het publiek dat de Salons des Variétés bezocht is het gebrek aan concrete en kwantitatieve bronnen. De Salons des Variétés waren een openbare uitgaansgelegenheid. Ze hadden geen ledenlijst zoals de besloten genootschappen en aangezien er ook geen naar prijs en plaats gedifferentieerde entreeprijzen golden zoals in de grotere schouwburgen – alle bezoekers betaalden 75 cent – is het moeilijk om concrete uitspraken over de samenstelling van het publiek te doen.[48] Er zijn echter nieuwe bronnen die het onderzoek in dit opzicht een stap verder kunnen brengen.

In de eerste paragraaf stelde ik reeds vast dat de Salons vanuit commerciële overwegingen veel meer voorstellingen per week gaven dan de andere schouwburgen. De enige dag per week dat er geen openbare voorstellingen gegeven mochten worden was de zondag of op christelijke feestdagen. Om toch voorstellingen te kunnen geven op zondag en daarmee publiek te trekken richtte Joseph Duport al in zijn Grand Salon aan het Rokin in 1838 het besloten collegie Door IJver Bloeit de Kunst op. Om voor deze sociëteit voorstellingen te kunnen geven was hij verplicht een ledenlijst in te dienen bij het stadsbestuur. Op vier december 1838 stuurde H.J.T. Fremmersturp als commissaris van het collegie een lijst van tachtig leden naar het stadsbestuur dat toestemming gaf op de voorwaarden dat alleen de leden toegang hadden, er geen entreegelden ontvangen mochten worden en dat de voorstelling na de ‘godsdienstoefening’ zou beginnen.[49]

De ledenlijst bevat helaas geen adressen en daardoor zijn alleen een tiental bijzondere namen te identificeren waarmee de groep te klein is om betekenis te hebben. Bovendien heeft het er alle schijn van dat dit collegie uitsluitend opgericht is om het stadsbestuur te misleiden en de Grand Salon op deze manier gewoon open te stellen voor betalend publiek. Op 22 december 1838 stuurt het hele toneelgezelschap van Duport een smeekbede aan het stadsbestuur. Zij waren door Duport ontslagen voor de zondagen omdat hij de regels had overtreden en geen voorstellingen meer mocht geven. Zij moesten nu midden in de koude winter loon missen. Ook was het verbod van het stadsbestuur niet rechtvaardig daar er andere theaters waren die ook entreegelden op zondag ontvingen.[50] Op 27 december geeft het stadsbestuur onder de strengste voorwaarden opnieuw toestemming voor het houden van besloten voorstellingen op zondag.[51] Duport heeft zich die voorwaarden niet erg aangetrokken. In het Algemeen Handelsblad van 20 november 1841 staat onder het kopje ‘regtzaken’ het verslag van het hoger beroep van J. Duport tegen het stadsbestuur. Hij was in juni 1841 veroordeeld voor het openstellen van zijn Salon aan de Nes voor betalend publiek op tweede kerstdag 1840.[52]

In 1852 richtte zijn zoon Jean Eugene Duport het collegie De Hereeniging op en vroeg het stadsbestuur om toestemming voor het houden van besloten voorstellingen op de zondagen van het winterseizoen voor deze sociëteit in zijn Salon aan de Nes.[53] De ledenlijst die hij indiende bij het stadsbestuur die voor dit onderzoek voor het eerst onderzocht is wekt de indruk van een echt collegie en is derhalve een belangrijke nieuwe concrete bron met betrekking tot het publiek van de Salons des Variétés. De lijst bestaat uit 205 personen inclusief adressen. Met behulp van het Amsterdamse bevolkingsregister van 1852-1854 zijn 168 personen te identificeren. In hoeverre deze groep mensen representatief is voor het totale publiek van de Salon des Variétés blijft natuurlijk de vraag. Toch zegt het feit dat Duport zelf de oprichter was van De Hereeniging en het onderliggende commerciële motief om publiek in zijn Salon te krijgen op zondag dat we hier te maken hebben met de kerngroep van het salonpubliek.

Om de sociale achtergrond van de leden vast te stellen kijken we eerst naar de beroepen die de leden van het Collegie uitoefenden in tabel 1. Van 139 leden zijn de beroepen bekend. Wat opvalt is dat meer dan de helft van de leden waarvan de beroepen bekend zijn, 53 procent, werkzaam is in traditionele middenstandsberoepen en lager, van winkeliers en ambachtsbazen tot werknemers in die sector. De relatief grote groep van vrije beroepen van lage status geeft een enigszins vertekend beeld daar hier het complete toneelgezelschap van vijftien personen ingedeeld is. Deze groep kunnen we zeker niet tot de hogere standen rekenen. De grootste afzonderlijke groep binnen de Hereeniging was in de koophandel werkzaam met 20 procent van het totaal. Of we hier te maken hebben met ‘de koopman in het klein’ zoals Kneppelhout hen aanduidt of kooplieden die tot de hogere standen behoren is uit deze tabel niet op te maken. Wel is duidelijk dat het aantal beroepen dat direct met de hogere burgerij geassocieerd wordt met 6 procent van het totaal klein is en dat leden uit de deftige stand volledig ontbreken. Het ziet er naar uit dat het overgrote deel van de leden van De Hereeniging tot de middenstand en lagere burgerij behoorden. Dit verklaart ook het relatief grote aandeel van Katholieken en Luthersen binnen dit collegie in Grafiek 1. Deze denomoninaties waren relatief oververtegenwoordigd binnen de middenstand van Amsterdam.

Dit beeld wordt versterkt als we de ledenlijst naast de kiezerslijst voor de Tweede Kamer en de gemeenteraad van 1853 leggen in tabel 2. Daarmee kunnen we op basis van de census, minimaal 50 gulden gemeentelijke belasting, die voor de verkiezingen gold de sociale status van de leden verder verduidelijken. Daaruit blijkt dat 67 procent van de geïdentificeerde leden niet op de kiezerslijst voorkomt en dus minder dan 50 gulden of geen belasting betaalden. Dit percentage ligt beduidend hoger bij De Hereeniging dan bij alle door Boudien de Vries in 1986 onderzochte genootschappen, ook de minder prestigieuze.[54] Van de 54 leden die meer dan vijftig gulden belasting betaalden zit het grootste gedeelte, 38 leden, in de groep van 50 tot 200 gulden. Als in tabel 3 de belastingbetalende leden naar beroep ingedeeld worden blijkt bovendien dat van de grootste beroepsgroep binnen De Hereeniging, de kooplieden, maarliefst 55 procent minder dan vijftig gulden of geen belasting betaalden. De kooplieden worden over het algemeen tot de hogere standen gerekend. In De Hereeniging is het grootste gedeelte van deze beroepsgroep duidelijk minder vermogend en kunnen we die als ‘kooplieden in het klein’ tot de middenstand rekenen. Daarnaast komt de helft van de leden die meer dan vijftig gulden belasting betaalden uit beroepsgroepen die de middenstand vertegenwoordigden.

Kijkend naar de woonlocaties van de leden blijkt opnieuw duidelijk dat de middenstand en de lagere burgerij de dominante groep binnen De Hereeniging was. De gehanteerde wijkindeling van Boudien de Vries uit Electoraat en elite in tabel 4 geeft aan dat meer dan zestig procent van de leden in de oude binnenstad en de Jodenbuurt/ Lastage woonden, wijken die werden gedomineerd door de lagere burgerij. Nog vijftig leden, bijna een derde, woonden op de grachtengordel maar slechts negen leden van hen woonden daadwerkelijk aan een van de drie prestigieuze grachten. De rest woonde in de ambacht- en winkelstraten die ook in deze wijken lagen. Verder is opvallend dat de buurt waar men woonde waarschijnlijk een rol heeft gespeeld in het lidmaatschap van De Hereeniging. Onder de leden heb ik negen buurtnetwerken kunnen identificeren weergegeven in tabel 5 met bijbehorende kaart. Alle buurten, gevormd rond een kernstraat, zijn als middenstandsbuurten te typeren waarbij een groep leden dicht bij elkaar woonden. Het grootste buurtnetwerk van 28 leden is die met de Nes als kernstraat. Dat is natuurlijk geen toeval want daar was de Salon van Duport gevestigd.[55]

 

Conclusie

 

De Salons des Variétés waren een nieuw en bijzonder fenomeen in het Amsterdamse uitgaansleven van het tweede kwart van de negentiende eeuw. Het lijkt erop dat die bijzonderheid het beeld van het vaste publiek dat de Salons bezocht enigszins heeft vertekend. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er zeker een aantal nieuwe aspecten van de bedrijfsvoering van de Salon des Variétés, zoals het grote aantal voorstellingen en de nieuwe combinatie van horeca en theater in een schouwburg, aantrekkingskracht uitgeoefend moet hebben op zowel de deftige als hogere en lagere burgerij. Ook de kwaliteit van de toneelgezelschappen en voornamelijk sterren als Judels en Kleine Gartman die de vele vaudevilles opvoerden in beide Salons hebben gezorgd voor een brede, wellicht standsoverschrijdende populariteit.

Het beeld dat zowel de deftige stand als de hogere burgerij tot het vaste publiek van de Salon des Variétés behoorden dient echter genuanceerd te worden. Wat betreft de deftige stand valt vast te stellen dat aanzienlijke families inderdaad de Salon des Variétés van Duport bezocht hebben maar dat dit hoofdzakelijk in het eerste jaar van 1839 tot 1840 is geweest. Het beroemde en vaak geciteerde verhaal De Salon des Variétés van Klikspaan dat zich vrijwel zeker in deze periode afspeelde heeft mijns inziens een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming dat de deftige stand altijd tot de habitués van de Salons hebben behoord. Hier is echter geen grond voor. Ook de hogere burgerij kan niet zonder meer tot het vaste publiek van de Salon des Variétés gerekend worden al is het aannemelijk dat die vanwege de kleinere afstand tot de middenstand de Salons wel regelmatig bezocht hebben. Dat zij daar een minderheid zijn geweest lijkt bevestigd te worden door de summiere en speciale vermeldingen in de contemporaine bronnen, wederom vooral door Klikspaan, en het kleine aantal naar inkomen en beroep beter gesitueerden in het collegie De Hereeniging.

De analyse van het collegie De Hereeniging dat Jean Eugene Duport oprichtte om op zondag voorstellingen in zijn Salon te kunnen geven schept een duidelijk beeld met betrekking tot de vraagstelling. De Hereeniging bestond voornamelijk uit middenstanders. Kleine kooplieden, winkeliers, ambachtsbazen en kleine zelfstandigen. Daaronder zat een kleinere groep die tot de echte lagere burgerij behoorden. Ongeveer tien procent van De Hereeniging kan naar beroep en vermogen tot de hogere burgerij gerekend worden. De deftige stand ontbreekt volledig. De gegevens over belasting en woonlocatie van de leden bevestigen het beeld van de middenstand als dominante groep duidelijk. Vanwege het doel van het collegie ligt het voor de hand dat haar samenstelling representatief is voor het vaste publiek van de Salon van Duport en is het dus aannemelijk dat de middenstand, de hogere regionen van de lagere burgerij, de kerngroep was van het vaste publiek waar de Salon des Variétés op dreef. Dat het overgrote gedeelte van de in de contemporaine beschrijvingen omschreven bezoekers uit deze groep komt bevestigd dit beeld.

Dit is echter een voorlopige conclusie. Zo zijn er een aantal belangrijke aspecten omtrent de Salon des Variétés hier niet aan bod gekomen. Bijvoorbeeld het feit dat de branche door Joden gedomineerd werd of de aanzienlijke problemen bij de stadsschouwburg ten tijde van het ontstaan van de Salons die allebei van invloed zijn geweest op de populariteit en het soort publiek. Ook zijn er nog voldoende mogelijkheden om het publiek van de Salons verder in beeld te krijgen. De Salon van Boas en Judels werkte in de jaren vijftig met een abonnementensysteem voor de besloten voorstellingen op zondag en de Salon van Abraham van Lier, die niet in dit onderzoek is meegenomen, richtte rond 1860 voor de zondagen het collegie Eendracht maakt Magt op.[56] De abonnees van Boas en Judels en de leden van het collegie van van Lier moeten te achterhalen zijn. Daarnaast is er nog het vermoedelijke verband dat onderzocht kan worden tussen het collegie De Hereeniging van Duport en de later bekende deftigere burgersociëteit met dezelfde naam. Kortom, het doek voor de Salon des Variétés valt voorlopig nog niet.

 Dit artikel verscheen in het historisch jaarboek Amstelodamum 2011. Het was de aanzet tot een veel uitgebreider onderzoek dat resulteerde in mijn Cum Laude Bachelorscriptie ‘De habitués van de Salon des Variétes in Amsterdam 1839-1865‘ waarmee ik de Ons Amsterdam scriptie prijs won.

 

 

Bijlagen

 

 

Tabel 1 De Hereeniging naar beroepen

 

beroep aant % % van beroep
Aanzienlijken van positie 0 0 0
Ambtenaren en officieren 1 1 1
Vrije en semi-intellectuele beroepen met hogere status 6 4 4
Vrije en semi-intellectuele beroepen met lagere status 21 13 15
Financiële handel 1 1 1
Koophandel, tussenhandel, scheepvaart en boekhandel 29 17 21
Fabrikanten 6 4 4
Ambachtsbazen 7 4 5
Winkeliers 17 10 12
Overige zelfstandigen 25 15 18
Werknemers 18 11 13
Overige beroepen 7 4 5
Zonder beroep of gepensioneerd 1 1 1
Vrouwen zonder beroep 4 2  ————
Geen of niet bekend 25 15  ————-
totaal 168 100 100

 

 

 

Tabel 2 De Hereeniging naar belasting in 1853

 

belasting in gulden aantallen %
<50 of geen 112 67
50-100 14 8
100-150 10 6
150-200 14 8
200-250 2 1
250-299 6 4
300-400 5 3
>400 5 3
totaal 168 100

 

 

 

 

Tabel 3 De Hereeniging naar beroepen en belasting in 1853

 

beroep aant > 50 bel. %
Aanzienlijken van positie 0 0 0
Ambtenaren en officieren 1 0 0
Vrije en semi-intellectuele beroepen met hogere status 6 5 83
Vrije en semi-intellectuele beroepen met lagere status 21 1 5
Financiële handel 1 1 100
Koophandel, tussenhandel, scheepvaart en boekhandel 29 13 45
Fabrikanten 6 4 66
Ambachtsbazen 7 3 43
Winkeliers 17 8 47
Overige zelfstandigen 25 13 52
Werknemers 18 2 11
Overige beroepen 7 0 0
Zonder beroep of gepensioneerd 1 0 0
Vrouwen zonder beroep 4 0 0
Geen of niet bekend 25 3 12
totaal 168 54 33

 

 

 

 

 

Tabel 4 De Hereeniging naar wijken

 

Wijk Aantal (%)
I Oude binnenstad zuid 39 (23%)
II Oude binnenstad Noord 36 (21%)
III Lastage/Jodenbuurt 26 (16%)
IV Grachtengordel zuid 29 (17%)
V Grachtengordel west 21 (13%)
VI Jordaan zuid 1 (0,5%)
VII Jordaan noord 11 (6,5%)
VIII Plantage 4 (2,5%)
IX Westelijke en Oostelijke eilanden 1 (0,5%)
totaal 168 (100%)

 

 

 

 

 

 

Tabel 5 De Hereeniging naar kernbuurten

 

kernstraat aantallen
Nes 28
OZ voorb/Zeedijk 11
Utrechtsestr /Boterm 13
Nieuwedijk/Haarlemstr 16
Lastage 14
Kalverstraat 13
Groenburgwal 9
Prinsgracht/Leidsestraat 6
Jordaan Egel. Roz.gracht 10
totaal (71% van totaal leden)       120

 

 

 

 

 

 

Grafiek 1 De Hereeniging naar religie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buurtnetwerken collegie De Hereeniging Amsterdam

 

 

 


 

Bronnen- en literatuurlijst

 

Archieven

 

Stadsarchief Amsterdam

 

Archief van de Secretarie; afdeling Financiën, Rekenkamer en Rentegevende Eigendommen, Precario en Kadaster.

 

Archief van de Secretarie: afdeling Algemene zaken.

 

Archief van Stadsadvocaten Antonius, Pibo Antonius, Pibo Antonius Brugmans.

 

Klein materiaal, Salon des Variétés.

 

Theater Instituut Nederland

 

Archief Nathan Judels.

 

Archief Salon des Variétés Boas en Judels.

 

Archief Salon des Variétés Duport.

 

 

Kranten

 

Algemeen Handelsblad 1839-1901.

 

 

Gedrukte bronnen

 

Amsterdam en de Amsterdammers (1875).

 

Boom, H. en Alexander G. Lesturgeon, Een Drentsch Gemeenteassessor met zijne twee neven op reis naar Amsterdam, in ’t voorjaar van 1843, 2 dln. (Amsterdam 1845) dl. 1.

 

Klikspaan (Johannes Kneppelhout),‘De Salon des Variétés’, Nederlandsche Volksalmanak voor 1844 ( Amsterdam 1843) 1-38.

 

Lennep, M. F. van, Het leven van Mr. Jacob van Lennep, 2dln.(Amsterdam 1910) dl. 1.

 

Simons, L., Amsterdam in stukken en brokken (Amsterdam 1892).

 

Vries, J. de, De Physiologie van Amsterdam door een Amsterdammer (Amsterdam 1844).

 

 

 

 

 

Secundaire literatuur

 

Aerts R., en P. de Rooy ed., Geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in Aanbouw 1813-1900 (Amsterdam 2006).

 

Berg, H.,‘Joden en Jodinnen aan het toneel’, in: Joost Groeneboer en Hetty Berg ed., Dat is de kleine man… : 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 43-61.

 

Blom, P.,‘2 september 1839. Opening van de Salon des Variétés in de Nes in Amsterdam’ in R.L. Erenstein ed., Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996) 410-417.

 

Blom, P,‘Een vergaarbak voor het vuilste draf. Theater in Amsterdam in de negentiende eeuw’, Spiegel Historiael 25 (1990) 64-68, 120-125.

 

Coffeng, J.M., Amsterdamse schouwburgen, IIA en V (manuscript TIN).

 

Gras Henk, en Harry van Vliet,‘Paradise lost nor regained. Social composition of theatre audiences in the long nineteenth century’, Journal of Social History 38 (2004) 471-512.

 

Gras, H.,‘Theater, vermaak voor alle burgers? De casus Rotterdam, 1773-1916’, Groniek 176 (2007) 65-99.

 

Groeneboer, J.,‘Vaudeville, commercie en amusement’, in: Louis Peter Grijp red. , Een muziekgeschiedenis der Nederlanden (Amsterdam 2001) 438-445.

 

Groeneboer J.,‘Joodse personages op het toneel’, in: Joost Groeneboer en Hetty Berg ed., Dat is de kleine man… : 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 117-138.

 

Groeneboer J.,‘Schouwburgen en vermakelijkheden in de negentiende eeuw’, in: Joost Groeneboer en Hetty Berg ed., Dat is de kleine man… : 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 63-81.

 

Looijen, J.K., Wie kwam er niet in de Nes? Een geschiedenis van Amsterdamse theaters (Amsterdam 1981).

 

Klöters, J.‘De vaudevilles in de Salon des Variétés of Dit kan geen kunst zijn, want dit is natuur’, De Negentiende Eeuw 6 (1982) 91-106.

 

Rössing, J.H.,‘De Salon des Variétés te Amsterdam’, Eigen Haard (1909) 636-639, 701-704, 747-751.

 

Ruitenbeek, H., ‘De Amsterdamse Schouwburg in de eerste helft van de negentiende eeuw: egalitair of elitair?’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 120 (2004) 132-142.

 

Ruitenbeek, H., Kijkcijfers: de Amsterdamse schouwburg 1814-1841 (Amsterdam 2001).

 

Vries, B. de, Electoraat en elite. Sociale structuur en sociale mobiliteit in Amsterdam 1850-1895 (Amsterdam 1986).

 

Vries, B. de,‘Een weldadig verschil? Standsbesef en het onbehagen van de burgerij’, De negentiende eeuw 22 ( 1998) 25-35.

 

 

[1] Algemeen Handelsblad, 9 november 1840.

[2] J. H. Rössing, ‘De Salon des Variétés te Amsterdam’, Eigen Haard (1909) 701.

[3] Ibidem, 637.

[4] Remieg Aerts, ‘Publieke orde. Openbaarheid en beslotenheid’ in: Remieg Aerts en Piet de Rooy ed., De geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in aanbouw 1813-1900 (Amsterdam 2006) 139-215, aldaar 176-177; Paul Blom, ‘2 september 1839. Opening van de Salon des Variétés in de Nes in Amsterdam’, in R.L. Erenstein ed., Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996) 410-417, aldaar 413- 414; Joost Groeneboer, ‘Vaudeville commerce en amusement’ in: L.P. Grijp ed., Een muziekgeschiedenis der Nederlanden (Amsterdam 2001) 438-445, aldaar 441; Joost Groenenboer,‘Schouwburgen en vermakelijkheden in de negentiende eeuw’ in: J. Groeneboer en H. Berg ed., Dat is de kleine man…: 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 63-81, aldaar 65; Jacques Klöters, ‘De vaudevilles in de Salon des Variétés of Dit kan geen kunst zijn, want dit is natuur’, De Negentiende Eeuw 6 (1982) 91-106, aldaar 93-94; J. H. Rössing, ‘De Salon des Variétés te Amsterdam’, Eigen Haard (1909) 701-704, aldaar 701.

[5] Aerts, ‘Publieke orde’, 174-175.

[6] Boudien de Vries, Electoraat en elite. Sociale structuur en sociale mobiliteit in Amsterdam 1850-1895 (Amsterdam 1986) 11-12.

[7] John M. Coffeng, Amsterdamse schouwburgen, IIA en V (manuscript Theater Instituut Nederland).

[8] Stadsarchief Amsterdam (SAA), toeg.nr. 5181, Archief van de Secretarie: afdeling Algemene zaken, inv.nr. 815, rekest J. Duport (290), 24 augustus 1837.

[9] Paul Blom, ‘Opening van de Salon des Variétés’, 410-417, aldaar 414.

[10] SAA, toeg.nr. 86, Archief van Stadsadvocaten Antonius, Pibo Antonius, Pibo Antonius Brugmans, inv.nr. 53, Salon des Variétés.

[11] Algemeen Handelsblad, 1839-1840.

[12] Blom, ‘Opening van de Salon des Variétés’, 410-417; Groeneboer, ‘Vaudeville commerce en amusement’, 438-445; Aerts, ‘Publieke orde’, 176-177; Klöters, ‘De vaudevilles in de Salon des Variétés’, 91-106.

[13] Dat moet vooral op dinsdag voorgekomen zijn. Maandag, woensdag en zaterdag waren de vaste dagen voor voorstellingen in de Stadsschouwburg. In 1837 verbood het stadsbestuur de Hoogduitse en Franse schouwburg op woensdag voorstellingen te geven in verband met concurrentie. Zij programmeerden daarom vooral donderdag, vrijdag en zaterdag.

[14] SAA, toeg.nr. 5177, Archief van de Secretarie; afdeling Financiën, Rekenkamer en Rentegevende Eigendommen, Precario en Kadaster, inv.nr. 2678, registers van algemeen ontvangen armengelden, geheven van de bruto opbrengsten van openbare vermakelijkheden,1835-1843

[15] Dit bedrag was waarschijnlijk onderhandelbaar. Zo komen we op 8 augustus 1839 een rekest van J.E. Strumpff van Frascati tegen die vraagt om vermindering van zijn jaarlijkse afdracht van 300 gulden vanwege het feit dat er extra concurrentie komt van een nieuw lokaal, de Salon van Duport. De vermindering krijgt hij niet, wel wordt de afdracht van Duport het volgende seizoen verhoogd van 75 naar 300 gulden. SAA, toeg.nr. 5181, Archief van de Secretarie; afdeling Algemene zaken, inv.nr. 894, rekest J.E Strumpff (7937), 8 augustus 1839.

[16] SAA, toeg.nr. 5177, Archief van de Secretarie; afdeling Financiën, inv nr 2678, registers algemeen ontvangen armengelden, 1835-1843.

[17] Ibidem, inv.nr. 2681, registers algemeen ontvangen armengelden 1851-1856.

[18] Henny Ruitenbeek, Kijkcijfers: de Amsterdamse schouwburg 1814-1841 (Amsterdam 2001) 124-125.

[19] Henk Gras,‘Theater, vermaak voor alle burgers? De casus Rotterdam, 1773-1916’, Groniek 176 (2007) 89.

[20] Ruitenbeek, Kijkcijfers, 139-141.

[21] Aerts, ‘Publieke orde’, 179-182.

[22] Joost Groeneboer, ‘Vaudeville commercie en amusement’, 438-445, aldaar 441.

[23] Hetty Berg, ‘Joden en Jodinnen aan het toneel’, in: J. Groeneboer en H. Berg ed., Dat is de kleine man…: 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 43-61, aldaar 59.

[24] Henk Gras, ‘Paradise lost nor regained. Social composition of theatre audiences in the long nineteenth century’, Journal of Social History 38 (2004) 471- 512.

[25] T.K. Looijen, Wie kwam er niet in de Nes? Een geschiedenis van Amsterdamse theaters ( Amsterdam 1981) 89.

[26] Berg, ‘Joden en Jodinnen’, 43-61, aldaar 59.

[27] Paul Blom, ‘Opening van de Salon des Variétés’, 410-417, aldaar 415.

[28] Groeneboer, ‘Vaudeville, commercie en amusement’, 438-445. aldaar 441.

[29] Theater Instituut Nederland (TIN), Archief Salon des Variétés Duport, Salon des Variétés Judels, Reglementen van het Theater des Variétés.

[30] Paul Blom, ‘Een vergaarbak voor het vuilste draf. Theater in Amsterdam in de negentiende eeuw’, Spiegel Historiael 25 (1990) 64-68, aldaar 68.

[31] Alle bronnen zijn wat betreft de populariteit en het talent van Judels en Kleine-Gartman eenduidig. Zelfs de toneelcritici die de vaudevilles compleet afbrandden beoordeelden beide altijd positief.

[32] Algemeen Handelsblad,1 mei 1901. Interview met N. Judels. Judels had overigens het complete stadsbestuur uitgenodigd voor de opening. Hij kreeg een kort briefje terug dat het complete bestuur verhinderd was. SAA, Secretarie: afdeling Algemene zaken, inv. nr. 1077, brief stadsbestuur (7660), 19 augustus 1844.

[33] Groeneboer, ‘Vaudeville commercie en amusement’ , 438-445, aldaar 445.

[34] G.P.M Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde deel 3. Geschiedenis van de Nederlandse letterkunde 1766-1875 (Malmberg 1967) 383-386.

[35] Klikspaan ( J. Kneppelhout), ‘De Salon des Variétés’, Nederlandse Volkalmanak voor 1844 (Amsterdam 1843) 4.

[36] Ibidem, 3-4.

[37] Knuvelder, Handboek Nederlandse Letterkunde, 386.

[38] Maximiliaan F. van Lennep, Het leven van Mr Jacob van Lennep (Amsterdam 1910) 260.

[39] Algemeen Handelsblad, 17 februari 1840.

[40] Klikspaan ( J. Kneppelhout), ‘De Salon des Variétés’, 3-7.

[41] Jan de Vries, Physiologie van Amsterdam door een Amsterdammer (Amsterdam 1844) 77- 85.

[42] Harm Boom en Alexander G. Lesturgeon, Een Drents Gemeenteassessor met zijne twee neven op reis naar Amsterdam in ’t voorjaar van 1843, 2 dln. (Amsterdam 1845), dl. 1, 210- 219.

[43] SAA, Bibliotheek, W. J. Hofdijk, Salon des Variétés in de Amstelstraat, onuitgegeven schets (T 701.007).

[44] Leo Simons, Amsterdam in stukken en brokken (Amsterdam 1892) 56.

[45] Amsterdam en de Amsterdammers (Amsterdam 1875) 87.

[46] Blom, ‘Opening van de Salon des Variétés’, 410-417, aldaar 413- 414; Groeneboer, ‘Vaudeville commerce en amusement’, 438-445, aldaar 441 ; Klöters, ‘De vaudevilles in de Salon des Variétés’, 91-106, aldaar 93-94; Rössing, ‘De Salon des Variétés te Amsterdam’, 701-704, aldaar 701.

[47] Kneppelhout,‘De Salon des Variétés’, 4.

[48] De Vries, Electoraat en elite, 82. Boudien de Vries stelt hier letterlijk ‘Daarentegen zal wel nooit te achterhalen zijn wie tot de habitués behoorden van de Salon des Variétés’.

[49] SAA, Secretarie: afdeling Algemene zaken, inv. nr. 860, rekest H.J.T. Fremmersturp (11042), 4 december 1838.

[50] Ibidem, inv.nr. 863, rekest J. Keesing (11654), 22 december 1838.

[51] Ibidem, inv.nr. 872, toestemming stadsbestuur (2315), 27 december 1838.

[52] Algemeen Handelsblad, 20 november 1841.

[53] SAA, Secretarie: afdeling Algemene zaken, inv. nr. 1397, rekest J.E. Duport (6091), 11 juni 1852.

[54]. De Vries, Electoraat en elite, 88.

[55] De gehanteerde criteria voor een buurt is dat de kernstraat direct verbonden is of direct naast de andere straten ligt. Er mag geen straat tussen liggen waar geen leden wonen.

[56] Joost Groenenboer,‘Joodse personages op het toneel’ in: J. Groeneboer en H. Berg ed., Dat is de kleine man…: 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (Amsterdam 1995) 59.

Amsterjan

Auteur: Amsterjan

Amsterjan is historicus, Amsterdamse stadsgids en zanger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.