De Smaak van Svennus – Lul met Wijn

Deze week is uw oude vertrouwde ‘De Smaak van Verbraak‘ geannexeerd door mij, uw favoriete Twitterdictator @SvensTweet. Verbraak verkeert momenteel nog in de zevende hemel na de verloving met zijn Amber, en dat betekent dat ik de kans pak om één van mijn favoriete recepten met jullie, het plebs, te delen. Het is een variant op coq au vin, de oermoeder van de Franse keuken. Maar dan lekkerder. Ik heb het gerecht dan ook naar mezelf vernoemd: Lul met Wijn!

Laten we beginnen om de ingrediënten eens op te sommen. Bijna alles is gewoon bij je lokale Lidl te koop voor weinig, het is redelijk eenvoudig om te maken en je kunt er meerdere dagen van vreten. Er is dus geen enkel excuus om dit culinaire hoogstandje niet eens zelf te proberen. Daar gaan we.

– Twee uitjes
– 250 gram bacon (of ontbijtspek; als het maar haram is)
– 60 ml zonnebloemolie
– 5 teentjes knoflook (of minder, als je een mietje bent)
– Twee grote kippendijen, vier kippenpoten (of een variatie hierop)
– 250 gram paddenstoelen, bij voorkeur champignons
– Een snuf tijm en peterselie
– Een liter Riesling, of een andere witte wijn die je goed te hachelen vindt
– 200 ml. slagroom. Ja. Slagroom ja.
– Drie aardappels, normale grootte
– Een snuf zout en peper
– Turks brood, liefst met dubbel paspoort

Voor de roux:
– 60 gram boter
– 60 gram bloem
– Geen gram meer of minder van bovenstaande. Niet eigenwijs doen.

Alles in huis? Mooi. Gas op dat hok.

Stap 1:
Open de fles wijn en schenk een glas in. Gelieve deze in één keer achterover te hakken. Prepareer je shit.


 

Stap 2:
Snij, hak, pers, en brunoise de hele tyfusbende. Vooral de aardappeltjes. Maak die fuckers mini.


 

Stap 3:
Flikker de kip in een hete, bij voorkeur gietijzeren pan, met dampende olie. Vergeet niet die rommel eerst door de zout en peper te jassen. Bak totdat de kip net zo geelbruin is als de huid van Jeroen Pauw.


 

Stap 4:
Donder die kip in een andere bak en dump het vet in de gootsteen. Pak de ui en de bacon en smijt deze in de hete pan. Bak totdat de ui net zo transparant als GroenLinks wordt en het vet bijna uit de bacon is. Knoflook er in rammen en roeren alsof het stinkt.


 

Stap 5:
Champignons. Tijm. Peterselie. Vijf minuten gas er op. De hele bende er weer uit halen.


 

Stap 6 – de roux:
Effe je best doen hier. Kwak de boter in de pan. Maakt niet uit of er nog wat meuk van het bakken in zit. Als dit gesmolten is, de bloem er langzaam bij strooien en rammen met je klopper totdat je een dikkige pasta krijgt. Twee minuutjes half vlammen zodat de bloem niet meer rauw is.


 

Stap 7:
Lazer de champignons, ui, bacon-bende er in en giet er een halve liter wijn bij. Stop de rest van de inhoud van de fles in je mond. Er mag geslikt worden, maar doe dat wel tijdens het roeren. Echt. Goed roeren. Er ontstaat een soort dikke soep. Indien niet, dan heb je gefaald en hou je het in het vervolg maar lekker bij spaghetti of zo.


 

Stap 8:
Doe de kleine aardappelblokjes in de derrie en roer goed door. Dan de kip er tussen drukken. De verhouding vochtige zooi en kippenvlees moet precies genoeg zijn om de stukken gevogeltekarkas net onder te dompelen. Fik er onder en aan de kook brengen. Dan vuur op laag, deksel er driekwart op en af en toe roeren. (Er kan namelijk een laagje bloem aanbranden aan de pan. Wees dit voor door goed en regelmatig te roeren.)


 

Stap 9:
Als na ongeveer 20 tot 30 minuten het vlees van de botten druipt, kun je de die uit de pan halen. Kwak nu de slagroom er door en roer goed. Paar minuutjes doorkoken en peterselie er bovenop flikkeren als je indruk op jezelf wil maken. Qua smaak dient dit namelijk geen enkel aanvullend doel. Doet het bijna nooit.


 

Stap 10:
Haal je Turkse brood uit de oven. Nee, ik heb niet eerder genoemd dat je dat in de oven moest doen. Maar als je nog niet snapt dat als er tussen de ingrediënten staat dat je een Turks brood moet hebben en dit niet uit eigen beweging gaat afbakken, verdien je het ook niet. Nou. Hup. De rest van de bende op tafel en knagen maar. Geniet van de Lul met Wijn!


 

Knock out voor Kick Out Zwarte Piet?

Vandaag vieren we de intocht van Sinterklaas in Nederland. Van oudsher een feestje voor jong en oud, echter de laatste jaren regelmatig verstoord door een kleine groep activisten. De organisatie ligt in handen van een kleine groep mensen die Zwarte Piet als symbool van racisme en slavernij willen zien. Het meest vreemde aan deze discussie is dat deze groep racisme en slavernij ziet als een probleem tussen de dader, de grote boze witte man, en het slachtoffer, de zielige minderwaardige zwarte man. De geschiedenis leert ons echter dat slavernij en racisme, rassenongelijkheid, van alle tijden zijn en dat alle rassen zowel dader als slachtoffer zijn of zijn geweest, zoals Jörgen Raymann mocht ontdekken toen hij meedeed aan het programma Verborgen verleden. Het zwart-wit denken van een organisatie als Stop Blackface, die opriep tot een vreedzame demonstratie onder de noemer Kick Out Zwarte Piet,  werkt dan ook averechts en onnodig polariserend. Immers, waar we collectief, ongeacht huidskleur en afkomst, zouden moeten strijden tegen racisme en slavernij, is het hun gelukt om er een strijd van te maken tussen de negroïde medemens versus de blanke medemens.

“Knock out voor Kick Out Zwarte Piet?” verder lezen

Extreem rechts Israël in Nederland: de hetze tegen Sigrid Kaag (3)

Op dinsdag 24 oktober staat minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking al bijna op het bordes met haar collega ministers van het kabinet Rutte III. De gebruikelijke screening van ministers heeft blijkbaar ook niets opgeleverd. Niet dat dit de hetze tegen Kaag enigszins doet kalmeren want op deze dag doet Likoed Nederland, de zusterorganisatie van de in Israël regerende Likud partij van Netanyahu, een laatste wanhopige oproep: ‘Geen terroristenvereerder in het nieuwe kabinet’. Likoed Nederland is een bekende speler op dit terrein die zich vooral manifesteert in de media met het demoniseren van de Palestijnse samenleving en vaak onterechte antisemitisme beschuldigingen. De hele organisatie lijkt overigens uit één man te bestaan, de oud VVD senator Tom Struyk Van Bemmelen.

Van Bemmelen somt in zijn aanklacht tegen Kaag alle eerdere ‘argumenten’ op, inclusief het ‘Netanyahu is een racist’ citaat, echter de kern van zijn betoog is – zoals bij de column van Bas Paternotte op Geenstijl al te zien viel – Kaags relatie via haar echtgenoot tot terrorist Yasser Arafat. Nieuw hierbij is dat in een uitzending van Tegenlicht uit 2015 over Kaag is gebleken dat zij in de woonkamer een foto van het hele gezin met Arafat heeft staan. Vandaar de kwalificatie terroristenvereerder en van Bemmelen haalt zelfs de kinderen van Kaag erbij die ‘pro-terrorisme’ zouden worden opgevoed. Dat het nog hysterischer kan bewijst het extreem rechtse haatblog De Dagelijkse Standaard die de benoeming van Kaag als antisemitisch bestempelt op basis van het artikel van Likoed.

Deze wel hele flagrante poging tot karaktermoord valt zelfs de MSM op en Tom-Jan Meeus van het NRC schrijft er een column over waarin hij de overdreven en ridicule beschuldigingen weerlegt. Zoals eerder hier vermeld werkte de echtgenoot van Kaag voor Arafat ten tijde van het ‘vredesproces’ vanaf 1993 in welk jaar Arafat – ontegenzeggelijk een voormalig terrorist – de nobelprijs voor de vrede voor kreeg. Binnen de extreem rechtse pro-Israël propaganda geldt echter het adagium dat ‘eens een terrorist altijd een terrorist’ en is de uitgangspositie dat alle Palestijnen in eerste instantie terroristen zijn, zelfs kinderen.

Het ‘eens een terrorist altijd een terrorist’ argument is natuurlijk wel lachwekkend indien Likoed als organisatie dat oppert. De oprichter van Likud in 1973, de latere premier Menachem Begin, was namelijk zelf een terrorist. Voor het uitroepen van de staat Israël in 1948 was hij als leider van de terroristische Joodse organisatie de Irgun verantwoordelijk voor bomaanslagen en liquidaties waarvan de bomaanslag op het King David Hotel in 1946 waarbij 91 doden waaronder 17 Joodse slachtoffers de meest beruchte is. Misschien heeft Tom van Bemmelen wel een foto van Begin in zijn huiskamer hangen, hij werd immers net als Arafat na zijn terroristische carrière premier en internationaal staatsman.

In een hetze gelden argumenten echter niet en gaat het erom zoveel mogelijk te framen. En de foto van Kaag met gezin met Arafat is natuurlijk gemakkelijk scoren.

Op zaterdag 28 oktober wanneer Kaag inmiddels al beëdigd is, publiceert de Pro-Palestijnse organisatie The Rights Forum het artikel met het verhaal van ex CIDI medewerker Cnaan Lihpshiz die achter het persbericht van JTA zat. Het lijkt er op dat pro-Israël lobyiste, ex-CIDI directeur en hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad Esther Voet als insider hier van het begin af aan van op de hoogte is geweest. Hoewel zij op twitter ook van het begin af aan betrokken is bij het aanzwengelen van de hetze tegen Kaag en daarbij zelfs insinueert dat Kaag een antisemiet zou zijn, blijft zij opvallend terughoudend ten opzichte van het lasterlijke JTA persbericht. Voet die zich graag als gematigd voordoet, distantieert zich op twitter ook van het stuk van Likoed  en gaat er prat op dat haar eigen stuk dat de vrijdag ervoor verscheen gedaan is op basis van eigen onderzoek

Dat stuk Sigrid Kaag in vijf vragen blijkt een wat minder opzichtig maar toch lasterlijk stuk vol insinuaties. Zo komt Voet nu expliciet naar buiten met de beschuldiging dat Kaag een voorstander van de BDS-beweging is. Iets dat bas Paternotte de zondag ervoor nog impliciet suggereerde. Voet levert geen enkel bewijs voor deze beschuldiging. Het enige doel hiervan is Kaag als extreem pro-Palestijns af te schilderen vanwege de extreme reputatie van deze beweging.

Hetzelfde geldt voor het zogenaamde eigen onderzoek dat Voet gedaan heeft. Dat blijkt een analyse van het twitteraccount van Anis al-Qaq @Jerusalem47, de echtgenoot van Kaag, te zijn. Daar valt eigenlijk helemaal niets over te zeggen want het is een vanaf 2012 amper gebruikt account (86 tweets) dat vanaf april 2015 al niet meer gebruikt is. Al Qaq tweet op dit account vrijwel geen meningen slechts artikelen. Voet zegt daarover: ‘Op dat account veel retweets van Electronic Intifada, een activistische BDS-organisatie, en veel meldingen over de carrière van zijn vrouw. Hij is opvallend neutraal over Hamas’. In totaal tweet al-Qaq die dus zelden zelf commentaar bij een tweet zet, 6 keer een artikel van Electronic Intifada van de 86 tweets in totaal. Van die 86 tweets zijn overigens 22 tweets artikelen van het centrum rechtse Jerusalem Post dus in welke zin zijn die 6 tweets veel? Voet schrijft hier ook dat Electronic Intifada een activistische BDS-organisatie is maar ook dat is niet waar. EI is een zelfstandig pro-Palestijns online platform dat niet aan BDS verbonden is. Het is natuurlijk de bedoeling om al-Qaq zo extreem mogelijk af te schilderen. Vandaar ook de laatste opmerking dat hij ‘opvallend neutraal tegenover Hamas’ zou staan. Van alle 86 tweets gaat er maar 1 over Hamas waarbij al-Qaq over een toespraak van Hamasleider Mashaal opmerkt: ‘Interesting to see how Hamas reacts’. De conclusies van Voets ‘onderzoek’ zijn verzinsels gebaseerd op niets.

Het gaat te ver Voets stuk op de nog verder ruimschoots aanwezige onterechte frames richting Kaag te analyseren op de laatste zin van het stuk na waarbij Voet op een bijzonder smerige manier de integriteit van de toekomstige minister ter discussie stelt. Kaag wordt namelijk verantwoordelijk voor het ontwikkelingsgeld dat naar de Palestijnse Autoriteit gaat. Die laatste betaalt vergoedingen aan de families van omgekomen Palestijnse terroristen. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat de internationale gemeenschap waaronder Nederland achteraf zou meebetalen aan het mogelijk in stand houden van Palestijns terrorisme. De internationale gemeenschap zou hier ook veel resoluter tegen op dienen te treden. Het is echter moeilijk voor de Nederlandse regering vanwege te weinig zicht op geldstromen binnen de PA om hier concreet iets tegen te doen. Voet schrijft hierover met betrekking tot Kaag de nieuwe minister:

Daarnaast is er nog altijd het hete hangijzer van de salarissen die door de Palestijnse Autoriteit worden uitbetaald aan de families van terroristen, waarvan de Tweede Kamer zich inmiddels bewust is. Het zal aan de oplettendheid van het parlement liggen om te monitoren of Kaag, direct of indirect, ‘douceurtjes’ die kant op zal proberen te sluizen.’

Een bijzonder lasterlijke uitsmijter. Wat minder schreeuwerig maar van hetzelfde niveau als de zwartmakerij van Likoed Nederland of Opiniez waarvan Voet zich voor de vorm distantieert.

Anderhalve week na de start van de hetze tegen Kaag pietert deze iets uit. Het laatste wapenfeit is een wederom nietszeggend stuk op Geenstijl over Kaag, het derde inmiddels (!), waarin auteur Constanteyn Roelofs, Kaag wegzet als ‘Palestijnse mol en Arabisch raspaard van Troje’, daarbij weer verwijzend naar het nietszeggende lasterlijke stuk van Esther Voet.

Kaag is inmiddels in functie dus wat heeft deze hetze nu opgeleverd en wat was de bedoeling ervan? Het antwoord daarop in het volgende en laatste deel. (wordt vervolgd)

 

Extreem rechts Israël in Nederland: De hetze tegen Sigrid Kaag (2)

Precies 24 uur nadat bekend is geworden dat Sigrid Kaag minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gaat worden in het kabinet Rutte III, krijgt  de door aan extreem rechts Israël gelieerde of daarmee sympathiserende opiniemakers en tweeps aangezwengelde  hetze tegen Kaag vlak voor het weekend een ware kickstart. De belangrijkste stok om mee te slaan is het door ex CIDI medewerker Cnaan Lihpshitz bewust verkeerd vertaalde citaat van Kaag uit het programma Buitenhof uit 1996 op basis waarvan Kaag beschuldigd kan worden de huidige premier Netanyahu een racist genoemd te hebben. Gebaseerd op Lihpshitz’ persbericht voor JTA, komen vrijdagavond en zaterdag verschillende Israëlische media met artikelen met het verdraaide citaat dat wellicht nog problemen op kan leveren voor de officiële benoeming van Kaag de week erna.

“Extreem rechts Israël in Nederland: De hetze tegen Sigrid Kaag (2)” verder lezen

De Britse terugtrekking uit India en het Palestijnse mandaatgebied 1945-1947

‘If India was the jewel in the imperial crown, Palestine was hardly an anamone in the king’s buttonhole’[1]

Op 15 augustus 1947 kwam er een einde aan bijna honderd jaar directe Britse koloniale overheersing van het Indiase subcontinent. Deze historische gebeurtenis vond plaats zonder de gebruikelijke pompeuze ceremonie waar de Britten bekend om stonden. Vanaf 22 maart 1947 had de laatst benoemde onderkoning van India, Lord Mounbatten, in opdracht van de Britse labourregering, een versnelde en chaotische terugtrekking van het Britse bestuur en militaire aanwezigheid uit India in gang gezet. Dit gebeurde langs de lijnen van een al bestaand noodplan dat binnen het Colonial Office toepasselijk bekend stond als ‘Operation Madhouse’, en mondde uit in twee nieuwe onafhankelijke staten als dominions[2] onder de Britse kroon; Pakistan, een islamitische staat, en India een door Hindoes gedomineerde staat.[3]

Op 14 februari van hetzelfde jaar kondigde Groot-Brittannië bij monde van minister van buitenlandse zaken Ernest Bevin aan, dat Groot-Brittannië in mei 1947 de verantwoordelijkheid voor het Palestijnse mandaatgebied over zou dragen aan de in 1945 opgerichte Verenigde Naties. In 1922 had de toenmalige supermacht het gebied, dat het huidige Israel en Jordanië omvat, van de Volkenbond in mandaat gekregen. Aan dit mandaat was de tegenstrijdige opdracht verbonden een ‘nationaal tehuis’ voor de, onder invloed van het Zionisme snel groeiende aantallen Joodse immigranten te creëren. Tegelijkertijd diende Groot-Brittannië ook de meerderheid van Arabische Palestijnen in het mandaatgebied voor te bereiden op een zelfstandige staat. Hoewel Palestina technisch gezien geen kolonie was, viel zij wel onder direct Brits koloniaal bestuur tot 14 mei 1948, toen de laatste Britse militairen inscheepten in Haifa. Ook Palestina zou volgens het besluit van de VN in november 1947 opgedeeld worden in twee aparte staten, een Palestijnse en Joodse staat.

De haast gelijktijdige Britse terugtrekking uit India en Palestina in 1947 wordt vaak gezien als het startschot van het Britse naoorlogse dekolonisatieproces, waarbij het Britse rijk, dat in 1947 nog een aanzienlijk deel van het aardoppervlak besloeg, tot aan het einde van de jaren zeventig gefaseerd uiteenviel en tientallen nieuwe zelfstandige staten voortbracht. Daarnaast wordt de Britse terugtrekking uit beide gebieden voornamelijk vanuit dezelfde oorzaken en hetzelfde perspectief geïnterpreteerd. Groot-Brittannië was na de Tweede Wereldoorlog militair en financieel-economisch totaal uitgeput. De dreigende financiële ineenstorting van het Britse imperium in 1946 zorgde voor een bijna totale financiële afhankelijkheid van de Verenigde Staten. De VS ijverden al tijdens de oorlog voor Indiase onafhankelijk en riep Groot-Brittannië in 1946 op de immigratiestop voor Holocaust overlevenden in het mandaatgebied op te schorten. De immigratiestop was onderdeel van een strategische heroverweging die gericht was op het aanhalen van de banden met de Arabische staten in het Midden Oosten. Die waren fel gekant tegen verdere Joodse immigratie in Palestina en bovendien de voornaamste bron van olie voor de instortende Britse economie. Militair gezien leken de Britten ook niet meer in staat het oplaaiende sektarische geweld in beide gebieden te beheersen.[4]

Het doel van deze paper is om door middel van comparatief historisch onderzoek op basis van secundaire literatuur te bepalen in hoeverre de achtergronden en oorzaken voor de Britse terugtrekking uit India en Palestina zo eenduidig zijn geweest zoals in de alinea hiervoor beschreven zijn. En zo ja, is dat dan te verklaren vanuit het begrip dekolonisatie alleen, of zijn er nog andere verklaringen mogelijk, die het parallelle tijdsverloop en de overeenkomstige situatie in Brits India en het Palestijnse mandaatgebeid in de periode 1945-1947 verklaren? Zoals Tom Segev het mooi verwoordt in het citaat aan het begin van deze inleiding, waren India en het Palestijnse mandaatgebied qua voorgeschiedenis, economische en militaire waarde voor het Britse imperium, en omvang totaal verschillende gebieden. Bovendien had het geweld dat in beide gebieden na de oorlog losbarste, een verschillende dynamiek en karakter. Ook de nationalistische krachten waar de Britten in beide gebieden mee te maken kregen, waren verschillend qua aard en achtergrond.

Hiertoe zal ik mij in de eerste paragraaf richten op de methode van de comparatieve geschiedenis, in het bijzonder de moeilijkheden die een symmetrische vergelijking tussen het Palestijnse mandaatgebied en India met zich mee brengen. Vervolgens ga ik, in een aparte paragraaf, in op de overeenkomsten van de situatie waarmee Groot-Brittannië in Brits India en het Palestijnse mandaat gebied in 1947 geconfronteerd werd. In de derde paragraaf komen de verschillen qua voorgeschiedenis tot 1945 van beide gebieden aan bod om in de laatste paragraaf op dezelfde manier in te zoemen op de periode 1945-1947. Beide paragrafen hebben een zowel beschrijvend en analyserend karakter om op die manier toe te werken naar de beantwoording van de onderzoeksvraag in de conclusie.

 

India en Palestina 1945-1947: de comparatieve methode.

De comparatieve methode binnen de geschiedwetenschap is grofweg onder te verdelen in twee verschillende takken die worden onderscheiden op basis van het doel van de gemaakte vergelijking. Er zijn vergelijkingen die het vinden van overeenkomstige aspecten tussen historische gebeurtenissen en processen tot doel hebben, om hier vervolgens concepten en theorieën uit te destilleren die toepasbaar zijn andere om historische gebeurtenissen te interpreteren en te categoriseren. Daarnaast zijn er vergelijkingen die tot doel hebben juist het specifieke van bepaalde gebeurtenissen of processen te benadrukken, nadat die door eerdere geschietwetenschappelijke constructies, als overeenkomstig andere historische gebeurtenissen of processen, zijn gekarakteriseerd.[5] Deze paper gaat uit van de laatstgenoemde, zogenaamde individualiserende, variant. Middels de vergelijking met de Britse terugtrekking uit India probeer ik, ondanks de overduidelijke parallellen en gemeenschappelijke achtergronden, de unieke aspecten van de Britse terugtrekking uit het Palestijnse mandaatgebied aan het licht te brengen en te verklaren.

Om de uniciteit van de Britse terugtrekking uit Palestina te benadrukken, zou hier zuiver theoretisch gezien, een vergelijking met meerdere koloniale gebieden ten tijde van periode van dekolonisatie gemaakt moeten worden. Beide onderzochte gebeurtenissen binnen de vergelijking hebben immers unieke aspecten ten opzichte van elkaar en dat zegt op zich zelfstaand weinig. De vergelijking vindt daarom plaats binnen het conceptuele kader van Britse dekolonisatie.[6] Zijn de gemeenschappelijke causale verbanden waaruit het concept dekolonisatie is opgebouwd toereikend om de overeenkomsten, maar ook, de verschillen van de Britse terugtrekking uit beide gebieden te verklaren? Dekolonisatie is echter een moeilijk te definiëren en daardoor te hanteren concept waarvan de processen en oorzaken niet eenduidig worden geïnterpreteerd.

Voor de Britse dekolonisatie worden in hoofdzaak drie processen en oorzakelijke theorieën gehanteerd: 1) Het Britse koloniale rijk implodeerde door imperial overstretch met een geopolitieke en economische heroriëntatie in het moederland als gevolg. 2) De naoorlogse bipolaire wereld met twee supermachten, de VS en de Sovjet Unie, liet geen ruimte voor de instandhouding van een wereldrijk door, een inmiddels tot tweederangs mogendheid gedegradeerd, Groot-Brittannië. 3) Het Britse koloniale rijk was na de Tweede wereldoorlog niet meer in stand te houden door toenemende oppositie van de, door nationalisme en masse gemobiliseerde, gekoloniseerde volken.[7] Hoewel tegenwoordig wat betreft de Britse dekolonisatie de nadruk het meest op de eerste theorie wordt gelegd, is het duidelijk dat een mix van deze drie theorieën van toepassing zijn op de Britse terugtrekking uit beide gebieden.[8] Dit comparatieve onderzoek zal moeten uitwijzen in welke mate het relatieve gewicht van de drie onderdelen van deze mix gelijk of verschillend is geweest voor Palestina en India, of dat er wellicht nog andere historische processen, die niet binnen het concept dekolonisatie passen, invloed hebben gehad op de Britse terugtrekking en de oorzaken daarvan uit beide gebieden.

Een belangrijke voorwaarde voor comparatief historisch onderzoek is een duidelijke afbakening van plaats en tijd. De duidelijke geografische afbakening spreekt hier voor zich en ook het bijna synchrone tijdsverloop van de Britse terugtrekking uit India en Palestina tussen 1945-1948, maakt dat binnen dit onderzoek contextuele valkuilen die vooral bij diachrone vergelijkingen de kop op steken niet aan de orde zijn.[9] Omdat een totale vergelijking tussen het Palestijnse mandaatgebied en India van 1945-1948 uiteraard onmogelijk is richt ik mij vanwege de beperktheid van dit onderzoek vooral op het Britse imperiale beleid (theorie1) in India en Palestina. De naoorlogse geopolitieke situatie en de gebeurtenissen in India en Palestina zelf zijn bij een vergelijkend onderzoek hier natuurlijk niet los van te zien, en komen dus ook in een vergelijkend perspectief aan bod.

 

Overeenkomsten India en Palestina 1945-1947

‘The really fatal thing for us would be to hang on to responsibility when we had lost the power to exercise it, and possibly to involve ourselves in a large scale Palestine’[10]

 De overeenkomsten tussen de situatie in Brits India en Palestina waren voor de onderkoning van India, Lord Wavell, ook duidelijk, getuige deze woorden van 24 februari 1947 aan koning George VI. Zijn typering van het probleem in beide gebieden slaat ook de spijker op zijn kop. Groot-Brittannië miste de militaire, en de daaraan ten grondslag liggende financiële middelen om een einde te maken aan het sektarische geweld dat het mandaatgebied en India in haar greep hield. In Palestina stonden de Joodse minderheid en Arabisch Palestijnse meerderheid op dat moment aan de rand van openlijke burgeroorlog met wederzijds geweld en moord aan de orde van de dag.[11] India was vanaf augustus 1946 in een spiraal van communaal geweld geraakt na de moord op ruim 4000 hindoes door moslims in Calcutta in de provincie Bengalen. De wraakacties van Hindoes en de tegenreacties van Moslims die dit weer tot gevolg had, vormde een vicieuze cirkel van geweld die zich als een vlek westwaarts verspreidde, naar de religieus meest verdeelde provincie, de Punjab. Tienduizenden doden en honderdduizenden gewonden waren het gevolg.[12]

De overeenkomstige oorzaak voor het besluit tot terugtrekking uit beide gebieden moet worden gezocht binnen de theorie van imperial overstretch waarbij de Tweede Wereldoorlog als katalysator fungeerde. Bij het aantreden van de labourregering Attlee in augustus 1945 kreeg het van de beroemde econoom Lord Keynes te horen dat Groot-Brittannië ondanks de glorieuze overwinning, aan de vooravond van een ‘financial Dunkirk’ stond.[13] Groot-Brittannië was diep in de schulden geraakt tijdens de oorlog door een extreem negatieve betalingsbalans, die tot augustus 1945 nog enigszins gemaskeerd werd door de Lend & Lease overeenkomst met de VS. Het pond sterling stond in 1947 op het punt van instorten ten opzichte van de dollar, en als gevolg daarvan was de economische situatie in het moederland verslechterd ten opzichte van de oorlogsjaren. De regering Attlee was hierdoor genoodzaakt haar uitgaven drastisch terug te brengen met als gevolg dat de macht ontbrak om het geweld in Palestina en India onder controle te krijgen. Bovendien had de Britse militaire slagkracht qua beschikbare troepen ook haar breekpunt bereikt met troepen gestationeerd in Duitsland, Griekenland, Birma, Ceylon, Cyprus, Noord Afrika en het Midden-Oosten. Voor beide gebieden ontbrak eenvoudig weg de mogelijkheid en daardoor de wil om ze onder direct Brits bestuur te houden. [14]

Daarnaast is de uiteindelijke opdeling langs de lijnen van het communale conflict van zowel Brits India als het Palestijnse mandaatgebied na de Britse terugtrekking, in de respectievelijke staten India en Pakistan en een Joodse en Palestijnse staat, een duidelijke parallel.[15] Deze uitkomst brengt een andere belangrijke overeenkomst aan het licht wat betreft het beleid en de doelstelling van de labourregering ten opzichte van de beide getroebleerde gebieden in de periode 1945-1947. Dat beleid was er hoofdzakelijk op gericht om de opdeling van zowel India als Palestina te voorkomen.[16] Hiertoe organiseerden de Britten verschillende conferenties en commissies die naar India en Palestina afreisden, om de strijdende partijen bij elkaar te brengen. Voor Palestina was de inzet een binationale staat met autonomie voor het Joodse deel en voor India een federale structuur die de Hindoe en Moslim provincies bij elkaar zouden houden.[17] In beide gevallen heeft het Britse beleid gefaald.

Dat falen, brengt ons bij de laatste overeenkomst tussen het Britse beleid in India en Palestina. Mocht in beide gebieden een verzoening tussen de strijden partijen en daarmee opdeling onvermijdelijk blijken, dan diende alleen het Britse eigen belang het beleid te bepalen, zonder oog te hebben voor de gevolgen voor de nieuw te vormen staten of strijdende partijen.[18] Vanuit dit perspectief dient de versnelde terugtrekking uit India die Mountbatten doordrukte vanaf maart 1947 geïnterpreteerd te worden. Het oorspronkelijk beloofde tijdstip van vertrek van augustus 1948 werd verkort naar een vaste datum, 15 augustus 1947. Groot-Brittannië mocht onder geen beding bij de communale strijd tussen Hindoes en Moslims betrokken raken. Nadat Groot-Brittannië in februari 1947 de verantwoordelijkheid van het Palestijnse Mandaatgebied naar de VN doorgeschoven had en de VN in november 1947, na stemming in de algemene vergadering, voor opdeling van Palestina in een Joodse en Palestijnse staat koos, trad dezelfde dynamiek in werking. De terugtrekking werd gemodelleerd naar de versnelde terugtrekking uit India met een duidelijke en vervroegde datum, 14 mei 1948. In zowel India als Palestina luidde de beslissing tot een versnelde terugtrekking met een vaste datum een nieuwe intensievere fase van communaal geweld in.

De overeenkomstige uitkomst, het bijna parallelle tijdsverloop en de gemeenschappelijke oorzaken van imperial overstretch suggereren dat zowel de terugtrekking uit Palestina als India te verklaren zijn vanuit het begrip dekolonisatie. In de volgende paragraaf worden de verschillen van het Britse beleid ten opzichte van India en Palestina geanalyseerd en in naoorlogs internationaal perspectief geplaatst om te bepalen of beide gevallen eenduidig onder het concept dekolonisatie geschaard kunnen worden

 

Brits India en het Palestijnse mandaatgebied tot 1945

Voor een goede vergelijking is het van belang de beide gebieden onder Brits koloniaal bestuur qua grote in demografisch en geografisch perspectief te plaatsen. Palestina was vanaf 1926, toen Transjordanië als zelfstandige staat van het Britse mandaatgebied werd afgescheiden, ongeveer even groot als België. In 1947 had het gebied 1,9 miljoen inwoners waarvan 1,3 miljoen Palestijnse Arabieren. Het aantal Joodse inwoners in 1947 bedroeg ongeveer 600.000 waarvan er meer dan 500.000 onder het Zionisme als immigranten vanaf 1920 zich in het Palestijnse mandaatgebied gevestigd hadden.[19] Als we wederom België als referentiepunt voor Brits India nemen daarentegen, dan lag Karachi in het westen aan de Belgische kust, Calcutta in het oosten voorbij Moskou en het zuidelijkste puntje van het subcontinent ergens tussen Griekenland en Egypte. Het gigantische bevolkingsaantal in 1947 van 400 miljoen, was langs religieuze lijnen grofweg verdeeld in 260 miljoen hindoes, 133 miljoen moslims en 7 miljoen sikhs. Bij de beruchte hongersnood in Bengalen van 1943 kwamen meer Indiërs om het leven dan de totale bevolking van Palestina.[20]

Brits India was vanaf 1857, toen het grootste gedeelte van het Indiase subcontinent onder direct Britse controle was gebracht, de belangrijkste kolonie van het Britse imperium. De Britse banden met India gingen ver terug tot de zeventiende eeuw. De gigantische kolonie werd op de voor de Britten kenmerkende ‘hybride’ manier van formal en informal empire bestuurd.[21] Naast 175 prinselijke staten waar inheemse heersers onder soevereiniteit en bescherming van de Britse kroon en kanonnen, een eeuwenoud feodaal systeem in stand hielden, stonden er dertien provincies onder direct Brits bestuur. Ook op economisch gebied nam India als belangrijkste leverancier van grondstoffen, vooral katoen, en als afzetmarkt voor Britse producten tot de Tweede Wereldoorlog een centrale plek in het imperiale systeem in. Het bestuur van een zodanig grote kolonie was onmogelijk zonder de medewerking van de inheemse elite, die vaak in Groot-Brittannië opgeleid was. Onder invloed van deze westers opgeleide Indische elite kwam het onafhankelijkheidsstreven van India beïnvloed door Europees nationalisme aan het begin van de twintigste eeuw al tot ontwikkeling. Voornamelijk centraal uitgedragen door het in 1884 opgerichte Indian National Congress. In 1922 had het Congress al een bepaalde mate van provinciaal zelfbestuur afgedwongen toen de leiding in handen kwam van Mahatma Ghandi.

In hetzelfde jaar kwam Palestina pas officieel onder Brits bestuur. Sinds de verovering in 1917 hield Groot-Brittannië Palestina militair bezet en in de tussentijd was het middels het geheime Sykes-Picot verdrag met Frankrijk, geheel in oude koloniale en imperiale stijl, tot de Britse invloedsfeer ingedeeld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was echter ook de VS als wereldmacht en bepalende factor in de oorlog ten tonele verschenen. Het oproepen van president Wilson tot zelfbeschikkingrecht voor volken en de oprichting van een supranationale organisatie voor internationale conflict beheersing, de Volkenbond, waren voorboden van het postkoloniale tijdperk. De Volkenbond, waar de inmiddels in zichzelf gekeerde VS in 1919 overigens geen lid van werd, wees Palestina als mandaatgebied aan Groot-Brittannië toe. Groot-Brittannië nam hiermee uit naam van de Volkenbond, de verantwoordelijkheid op zich, de inwoners van Palestina, binnen een niet bepaalde tijd, naar onafhankelijkheid te begeleiden. In de praktijk kwam het er op neer dat Palestina onder direct Brits koloniaal bestuur terecht kwam maar officieel en bestuurlijk gezien kwam het mandaatgebied in tegenstelling tot India, niet binnen koloniale context, maar een postkoloniale supranationale context tot stand.

Een tweede opdracht die in het mandaat van de Volkenbond besloten lag, was daar ook een voorbeeld van. Het creëren van een ‘nationaal tehuis’ voor het Joodse Volk in Palestina zonder de rechten van de Arabische inwoners te schenden. De Balfour Declaration van 1917 was de grond voor de Britse hulp aan het zionistische streven voor een zelfstandige staat voor onderdrukte Europese joden in Palestina, die als opdracht in het mandaat besloten lag. Het Zionisme was een nationalistische beweging die vanwege de diaspora internationaal georganiseerd was. Voornamelijk Europees maar met hechte banden met de invloedrijke en financieel machtige Joodse gemeenschap in de VS. Ondanks traditionele interpretaties die de Balfour Declaration vanuit Brits christelijk altruïsme voor de Joodse zaak interpreteert, hebben verschillende historici er inmiddels op gewezen dat het primair doel van de Britse regering met deze verklaring, het positief beïnvloeden van de Joodse gemeenschap in de VS is geweest. De Joodse gemeenschap in de VS werd een grote politieke invloed toegedicht en konden Washington beïnvloeden om in de oorlog de maximale inspanning aan de zijde van de geallieerden te blijven leveren.[22] Met de opdracht voor een nationaal tehuis voor Joden werd dus nog een extra internationale dimensie aan het Mandaatgebied gekoppeld.

De verschillende voorgeschiedenis van India en Palestina binnen het Britse rijk had ook een verschillende manier van nationalistische oppositie ten opzichte van het koloniale bestuur in beide gebieden tijdens het interbellum tot gevolg. In India bouwde Ghandi het Congress uit van een elitaire politieke partij naar een massabeweging met miljoenen leden. Oppositie tegen het Brits koloniaal bestuur werd gevoerd middels geweldloze symbolische acties en economische boycotten die mondiale aandacht verwierven. In 1935 deed Groot-Brittannië onder druk hiervan met de Governement of India Act, al verregaande concessies met betrekking tot provinciaal zelfbestuur, de instelling van een provinciaal Indisch parlement, en de belofte van Indische onafhankelijkheid als dominion binnen het gemenebest. De kiem van het communale geweld tussen Hindoes en Moslims dat de Britten na de oorlog tot terugtrekking bewoog werd pas bij de provinciale verkiezingen van 1937 gelegd.[23] Tot 1946 kon Groot-Brittannië met een relatief kleine militaire aanwezigheid en het British National Army India onder controle houden.

In het Palestijnse mandaatgebied kreeg het Britse bestuur vrijwel direct met, op zionistische immigranten gericht, Arabisch geweld te maken. Als gevolg van het snel toenemende aantal Zionisten en het feit dat die onder Britse bescherming een eigen staat konden opbouwen, keerde het geweld zich in 1936 met de Arabische opstand voor het eerst grootschalig tegen de Britten. Groot-Brittannië wist uiteindelijk in 1939 alleen na aanzienlijke militaire inspanning de opstand onder controle te krijgen.[24] De opstand tegen de Britten was echter pan-Arabisch van karakter in plaats van Palestijns nationalistisch. De Britse steun aan het zionistische project had een negatief effect op de Britse banden en daardoor invloed in de overige Arabische staten. Met de dreiging van een nieuwe Europese oorlog en de Britse afhankelijkheid van Arabische olie werd het Britse beleid in Palestina een aan de internationale situatie gelieerd probleem.[25] De White Paper die het Colonial Office in 1939 uitvaardigde, met de daarin vastgelegde aanzienlijke beperking op Joodse immigratie, had derhalve ook een internationaal doel: appeasement van de omliggende Arabische staten in het Midden Oosten.

De Tweede Wereldoorlog bracht zowel in India als in Palestina de situatie in een stroomversnelling. Het Congress dat onder aanvoering van Ghandi tegen Indiase ondersteuning van de Britse oorlogsinspanning was, werd door de Britten aangepakt. Alle leiders, waaronder Ghandi, Nehru, en Patel, werden na de ‘Quit India’ actie in 1942 gevangen gezet. Door een verzwakt Congress was Mohamed Jinnah in staat met de Muslim League de Indiase moslims te mobiliseren voor een aparte islamitische staat Pakistan. Onder leiding van de zeer religieuze hindoe Ghandi had het Congress en haar acties een steeds Hindoestaanser karakter gekregen. De Muslim League wist de onzekerheid van moslims over een door het Congress, en daarmee Hindoes, gedomineerd onafhankelijk India uit te buiten. De mogelijke toekomstige opdeling van de Raj in twee aparte staten bracht de communale spanning tussen Moslims en Hindoes op gang.[26] In Palestina bleef het tijdens de oorlog, mede door het neerslaan van de Arabische opstand en de onmogelijkheid van Joodse immigratie relatief rustig. In de Tweede Wereldoorlog vond echter een gebeurtenis buiten Palestina plaats die de situatie daar, na de oorlog in een totaal anders en internationaal perspectief zou plaatsen en van nieuwe dynamiek zou voorzien: de Holocaust.[27]

 

De Britse terugtrekking uit India en Palestina 1945-1947

Na de tweede Wereldoorlog was de geopolitieke situatie en daarmee ook de positie van India en Palestina binnen het Britse imperium drastisch gewijzigd. Om zich staande te kunnen houden tussen de twee nieuwe supermachten, de VS en de SU, werd een heroriëntatie van de Britse imperiale politiek door de regering Attlee noodzakelijk geacht. India was binnen die visie niet langer het centrum van het imperiale systeem. Economisch gezien was India nu eerder een blok aan het been. Door de oorlog was India binnen het imperium financieel veranderd van creditpost naar een debetpost voor een bedrag van 1000 miljoen pond.[28] Door de nieuwe geopolitieke machtsverhoudingen was de waarde van haar strategische positie ten opzichte van Palestina gedaald. De nieuwe Britse koloniale politiek richtte zich op de economische ontwikkeling van koloniaal Afrika en behoud van informal empire en maximale invloed in het olierijke en het, binnen koude oorlog strategisch belangrijke, Midden-Oosten.[29]

Het was duidelijk dat gezien de precaire financiële en economische situatie van het Britse rijk en het oplaaiende geweld in zowel Palestina als India terugtrekking uit beide gebieden bijna onvermijdelijk was. Voor India lag dit gezien de eerdere beloftes van onafhankelijkheid, in 1935 met de Governement of India Act en in 1942 door de commissie Cripps, echter meer voor de hand dan in Palestina waar nog geen concrete toezeggingen van onafhankelijkheid in wat voor vorm dan ook waren gedaan. Het overeenkomstige beleidsdoel om opdeling van beide gebieden te voorkomen na de Britse terugtrekking had bovendien in het geval van Palestina duidelijke internationale strategische bedoelingen binnen de nieuwe heroriëntatiepolitiek. Hiervoor was juist langere Britse militaire aanwezigheid noodzakelijk. Een door de Palestijnse Arabieren gedomineerde binationale staat met slechts autonome rechten voor de Joodse minderheid was er vooral op gericht de omringende Arabische staten gunstig te stemmen en zo de Britse positie in het Midden Oosten te verstevigen.[30]

De Zionistische roep om een eigen staat voor het Joodse volk in Palestina, had met de moord op zes miljoen Europese Joden echter mondiaal aan kracht gewonnen, en extra betekenis gekregen. Een groot verschil tussen de situatie in India en de situatie in Palestina voor de Britten was het feit dat hoewel de Indiase onafhankelijkheidsstrijd in het interbellum nog volop in de mondiale aandacht stond, mede door inspirerende figuren als Ghandi en Nehru, na 1945 vooral Palestina door de Holocaust het internationale voetlicht op zich gericht kreeg.[31] Internationaal was er overweldigende morele steun voor het Joodse volk dat indruiste tegen het Britse strategische belang de Arabieren te vriend te houden. Het internationaal georganiseerde Zionisme wende al zijn invloed aan om het pro-Arabische beleid van de Britten te saboteren. Vooral voor de houding van de VS ten opzichte van de situatie in Palestina had dit grote gevolgen.[32]

Een belangrijke pijler van de Britse geopolitieke heroriëntatie was een goede samenwerking met de voormalige bondgenoot de VS. Financieel was de Britse economie bijna geheel afhankelijk van Amerikaanse leningen. Met de opkomende koude oorlog diende het Britse imperium zoveel mogelijk in tact gehouden te worden om oprukkende communistische invloed tegen te houden. Alleen op deze manier, met behulp van de VS, kon Groot-Brittannië haar imperiale heroriëntatie uitvoeren en een mondiaal belangrijke macht blijven. Groot-Brittannië diende vanaf nu dus ernstig rekening te houden met de VS. De VS hadden zich in 1942, gelijktijdig de commissie Cripps, wel met India bemoeit en druk gezet op Groot-Brittannië om, tevergeefs, concretere beloftes van Indiase onafhankelijkheid af te dwingen. Na 1945 steunde zij echter de Britse imperiale heroriëntatie vanwege de dreigende koude oorlog en had het Britse beleid in India tot de terugtrekking van 15 augustus 1947, los van welke richting die opging, de volledige Amerikaanse steun. De besluitvorming over de weg naar onafhankelijkheid in India vond dus vrijwel zonder inmenging van de VS plaats.[33]

Dat dit voor Palestina geheel anders lag blijkt uit onder andere uit het feit dat binnen de Britse regering Attlee de kwesties India en Palestina volledig gescheiden werden behandeld. De kwestie Palestina kwam geheel in handen van Buitenlandse Zaken onder minister Ernest Bevin, en India onder een speciale commissie voor India bestaande uit eerste minister Attlee en kopstukken uit het Colonial Office.[34] De situatie in Palestina was geen koloniale kwestie meer – dat was ze technisch natuurlijk ook nooit geweest als mandaat van de Volkenbond- maar een internationale kwestie en officieel had Groot-Brittannië als mandataris nu verantwoording af te leggen aan de in 1945 opgerichte VN.[35] Zonder hulp van de VS kon Groot-Brittannië in Palestina zodoende geen oplossing forceren die in lijn lag met haar strategische doelen. Die strategische doelen werden zoals eerder gezegd binnen de situatie van de koude oorlog bijna volledig door de VS gesteund. Wat betreft de situatie in Palestina kwamen Groot-Brittannië en de VS echter tegenover elkaar te staan.[36]

Het geschil dat hieraan ten grondslag lag was Joodse immigratie naar Palestina. Al ernstig beperkt door de White Paper van 1939, had Groot-Brittannië Joodse immigratie in 1945 geheel volgens de nieuwe strategische lijn volledig stop gezet. Met honderdduizenden Holocaust overlevenden die naar Palestina wilden emigreren om de verschrikkingen in Europa achter zich te laten, leed Groot-Brittannië met deze maatregel internationaal grote morele schade. In augustus 1945 riep de Amerikaanse president Truman Groot-Brittannië publiekelijk op om 100.000 Holocaust overlevenden toe te laten in Palestina. De internationale tak van het Zionisme onder leiding van Chaim Weizman stond in direct contact met de president die deze oproep uit morele, maar zeker ook uit Amerikaanse binnenlandse electorale overwegingen deed. Een van de redenen die Truman zelf gaf voor zijn pro-Zionistische houding was dat hij geen Arabische kiezers onder zijn electoraat had. De Joodse stem in een belangrijke staat als New York met belangrijke midterm verkiezingen van 1946 aanstaande legde wel groot gewicht in de schaal.[37] Zo kreeg binnenlandse Amerikaanse politiek directe uitwerking op de situatie in Palestina.

Dat Groot-Brittannië zonder de VS haar pro-Arabische politiek niet kon voortzetten blijkt ook uit het feit dat de onderzoekscommissie van januari 1946 die voor een oplossing van het conflict moest zorgen een gedeelde Britse en Amerikaanse missie was. Het compromis dat deze gezamenlijke commissie voorstelde was de door de Britten gewenste binationale Arabische staat met autonomie voor de Joodse bevolking, gecombineerd met de toelating van 100.000 Holocaust slachtoffers in Palestina. Het voorstel werd zowel door de Arabieren als de Joden verworpen maar had kans van slagen gehad als het beleid van de VS ten opzichte van Palestina eenduidig was geweest. De Anglo-Amerikaanse onderzoekscommissie van 1946 werd van Amerikaanse zijde vooral gestuurd door het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Middle-East Office, die in grote lijnen achter de Britse strategie inzake Palestina stonden. Truman liet zijn oor vooral naar de Zionisten en het Joodse electoraat hangen en dat was van doorslaggevend belang. Het compromis van de Anglo-Amerikaanse onderzoekscommissie kon alleen door Groot-Brittannië uitgevoerd worden met Amerikaanse militaire steun en op het gebied van militaire zaken was de Amerikaanse president leidend. Truman maakte op april 1946 bekend dat hij zich alleen aan de toelating van de 100.000 wilde committeren. De overige maatregelen van het compromisvoorstel steunde hij niet en was ook niet bereid militaire steun voor de uitvoering toe te zeggen. Militaire steun was echter cruciaal voor het uitgeputte Groot-Brittannië.[38]

De Holocaust en de immigratiestop hadden namelijk ook een verandering van de geweldssituatie in Palestina tot gevolg gehad. Vond het geweld in eerste instantie vooral tussen Joden en Arabieren plaats en vanaf de Arabische opstand vanuit het Arabische kamp ook richting de Britten, als gevolg van het pro-Arabische beleid en de immigratiestop werden de Britten met een terreurcampagne geconfronteerd van ondergrondse paramilitaire organisaties als de Sterngang en Irgun. Het hoogtepunt van deze terreur was het opblazen van het hoofdkwartier van de Britten, het King David Hotel in juli 1946. Groot-Brittannië werd gedwongen haar militaire aanwezigheid te vergroten naar 100.000 man, een militair voor iedere negentien inwoners van Palestina, terwijl ze daar militair gezien niet de ruimte voor had.[39]

De geweldsituatie in Palestina verschilde dan ook wezenlijk van die in India. Op de muiterij in Bombay van februari 1946 na, was het geweld daar niet gericht op de Britten. Met de oproep tot een aparte, van India onafhankelijke, islamitische staat Pakistan van de Muslim League bij monde van haar leider Jinnah in 1940, waren de eerste communale spanningen tussen Hindoes, Moslims en Sikhs aangewakkerd. Tot de uiteindelijke beslissing om Brits India op te delen in twee onafhankelijke staten in maart 1947 met het aantreden van Mountbatten, waren de grenzen van het toekomstige Pakistan echter in nevelen gehuld gebleven.[40] Het probleem was dat de moslims alleen een meerderheid vormden in de provincies in het uiterste westen en oosten van India. Daar woonden echter ook een aanzienlijke minderheid Hindoes en de tussenliggende provincies, de Punjab en de United Provinces, waren zeer gemixt. The Punjab was ook nog eens het thuisland van de zeven miljoen Sikhs. De onzekerheid wat betreft in welke staat men als Moslim of Hindoe minderheid terecht zou komen was de katalysator van een ongekende en ongecontroleerde volksverhuizing die spontaan communaal geweld tot gevolg had.[41]

Het geweld tussen de verschillende bevolkingsgroepen werd niet georganiseerd door de politieke leiders zoals in Palestina, en was op zo’n grote schaal, de meest actuele schattingen gaan uit van 200.000 tot een miljoen doden in de periode 1946-1948, dat Groot-Brittannië eenvoudig weg niet in kon grijpen.[42] Het Indian National Army was ook langs communale lijnen verdeeld en gezien het feit dat de meerderheid van dit een miljoen sterke leger moslim was, werd het niet betrouwbaar genoeg geacht om in te grijpen. De slechts 14.000 Britse troepen die op het subcontinent aanwezig waren konden weinig uitrichten tegen de tragedie die zich aan het ontwikkelen was. Hier restte alleen de optie om zich zo snel mogelijk uit India terug te trekken. Met die intentie kwam de laatste onderkoning Mountbatten dus ook naar India. Zelfs nadat Mountbatten de leiders van het Congress, de Muslim League en de Sikhs op een lijn had gekregen wat betreft de opdeling van de Raj in twee onafhankelijke staten, bleven de grenzen van Pakistan en India, die dwars door de Punjab en Bengalen heen zou snijden, voor alle partijen onbekend. Het grootste gedeelte van de slachtoffers viel dan ook na de officiële overdracht van soevereiniteit op 15 augustus 1947.[43]

In Palestina hadden de strijdende partijen wel een idee van wat de grenzen van de Joodse en Palestijnse staat bij eventuele verdeling zouden worden. In 1937 had Groot-Brittannië met de Peel commissie naar aanleiding van de Arabische opstand al een verdelingsplan gemaakt.[44] De Joodse gemeenschap trof al militaire voorbereidingen, het Joodse gebied met haar illegale leger de Haganah te verdedigen. In de loop van 1946 lag opdeling van het mandaatgebied in twee afzonderlijke staten echter nog niet in de lijn der verwachtingen omdat alleen de Joodse gemeenschap van alle betrokken partijen hier achter stond. Door het uitblijven van Amerikaanse steun voor het Amerikaans-Britse plan van een Arabische binationale staat weigerde Groot-Brittannië de inmiddels symbolische 100.000 Holocaustslachtoffers tot Palestina toe te laten. Volgens Bevin zou de toelating van 100.000 Joden, extra divisie Britse militairen in Palestina noodzakelijk maken.[45]

De Joodse terreurcampagne van extremistische groepen hield inderdaad onverminderd aan in 1946 en ook het ondergrondse leger van de Joodse gemeenschap de Haganah was zich in allerijl aan het bewapenen. Zo ook de Palestijnse Arabieren en de omliggende Arabische staten. Groot-Brittannië was nu echter in staat de schuld voor het mislukken van een pro-Arabische oplossing in de schoenen van de VS te schuiven, zeker nadat Truman zich op Yom Kippoer 1946 openlijk had uitgesproken voor een Joodse staat.[46] Voor het behoud van het imformal empire in de Arabische staten van het Midden Oosten was dit punt nu gemaakt Het aanhoudende geweld, de mondiale morele veroordeling voor het niet toelaten van Joodse immigranten, maakte echter dat er voor Groot-Brittannië niets meer te winnen viel door als mandataris aan te blijven voor Palestina. In februari 1947 werd de verantwoordelijkheid voor het Palestijnse mandaatgebied overgedragen aan de VN. Restte Groot-Brittannië nog, net als in India, zich zo snel mogelijk en met zo weinig mogelijk verliezen uit Palestina terug te trekken.

 

Conclusie

Nu de verschillen wat betreft de achtergronden van de Britse terugtrekking uit India en Palestina en de daadwerkelijke situatie in beide gebieden in de periode 1945-1947 zijn benadrukt, kunnen we concluderen dat, hoewel de parallellen inderdaad – en zelfs voor tijdgenoten – opvallend waren, ze niet geheel eenduidig verklaard kunnen worden vanuit het concept dekolonisatie. De belangrijkst geachte oorzaak voor Britse dekolonisatie, imperial overstretch en imperiale heroriëntatie, ligt duidelijk wel gemeenschappelijk ten grondslag aan het Britse besluit om zich uit beide gebieden terug te trekken.[47] Daarentegen was de ‘nationale oppositie’ als factor voor Britse terugtrekking uit India en Palestina totaal anders van aard. In India kwam er inderdaad met het National Indian Congress nationale oppositie tegen het Britse bestuur op gang dat echter langs religieuze lijnen uiteen viel met communaal geweld tot gevolg. In Palestina werden de Britten echter geconfronteerd met ‘transnationale’ oppositie in de vorm van het pan-Arabisme en het, geïmporteerde, internationale Zionisme. Los van het feit dat dit verschillen in de geweldsituatie in beide gebieden opleverde – in Palestina ook direct gericht tegen de Britten – had het conflict in Palestina derhalve veel grotere internationale implicaties. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen die duidelijk boven water.

Het grootste verschil is dan ook dat de nieuwe geopolitieke situatie van na de Tweede Wereldoorlog, met name de houding van de VS, een veel grotere rol heeft gespeeld in het Palestijnse mandaatgebied dan in India. In tegenstelling tot de gangbare theorie dat de naoorlogse bipolaire situatie geen ruimte liet voor het Britse koloniale rijk hebben we gezien dat in de periode 1945-1947 de VS – juist in het licht van de koude oorlog- de Britse imperiale heroriëntatie grotendeels steunde.[48] Hoe kunnen we de grotere bemoeienis van de VS met Palestina ten opzichte van India, maar in het bijzonder de Amerikaanse oppositie ten opzichte van het Britse beleid in Palestina, verklaren?

Het antwoord ligt in de ontstaansgeschiedenis van India en Palestina binnen het Britse rijk. India was een echte kolonie dat in feite aan de basis stond van het Britse empire. Het Palestijnse mandaat gebied was technisch nooit een kolonie geweest al werd zij wel door de Britten als kolonie bestuurd. De internationale dimensies van het Zionisme, de Balfour Declaration en de supranationale context van de Volkenbond waarbinnen het Palestijns mandaatgebied tot stand kwam zorgden ervoor dat de situatie in Palestina na de Tweede Wereldoorlog een totaal anders internationaal karakter kreeg dan in India. Het isolationisme van de VS in het interbellum blokkeert gedeeltelijk het zicht hierop. Als men dekolonisatie verbeeld als een grote rivier dan was de terugtrekking uit Palestina een zijstroom die met pressie van de grote rivier richting een ander groot water stroomde. De verklaring voor de overeenkomsten tussen de gebeurtenissen India en Palestina in de periode 1945-1947 zijn dus voor een deel te verklaren vanuit het concept dekolonisatie. Een ander deel van de verklaring ligt in het bijzondere internationale karakter van de Palestijnse kwestie die de overeenkomsten gedeeltelijk contigent maken en juist de verschillen aantonen.

De supranationale achtergrond van de Palestijnse kwestie blijkt mooi uit het feit dat India, bij de stemming van de VN over de verdeling van Palestina in twee staten in november 1947, als onafhankelijke staat meestemde over het lot van Palestina. India stemde tegen. Dat Palestina door de stemming in de VN toch in twee staten opgedeeld zou worden, gelijk Brits India, was totaal onverwacht omdat het Sovjetblok, in weerwil van de koude oorlog, meestemde met de VS voor opdeling in een Joodse en Palestijnse staat. Groot-Brittannië onthield zich van stemming. Het Britse beleid in Palestina in de periode 1945-1947 en de uiteindelijke terugtrekking werden in Groot-Brittannië als een totale mislukking gezien. De terugtrekking uit India, geleid door de populaire showman Mountbatten, werd echter bijna als een overwinning gevierd.[49] De Britse geschiedschrijving heeft het verschil in waardering voor beide gebeurtenissen inmiddels rechtgetrokken. Gezien het veel grotere aantal slachtoffers dat te betreuren viel bij de terugtrekking uit India ligt dat voor de hand. Toch duurde het tot 1965 voor Mountbatten dit zelf ook toegaf met de wijze woorden:‘I fucked it up’.[50]

Literatuurlijst

Berger, S., H. Feldner en K. Passmore, Writing history: theory and practice (London 2003).

Chatterji, J., ‘New directions in partition studies’, History Workshop Journal 67 (2009) 213-220.

Clarke, P., The last thousand days of the British empire (London 2007).

Darwin, J., The end of the British empire: the historical debate (Oxford 1991).

Fraser, T. G., Partition in Ireland, India and Palestine: theory and practice (London 1984).

Greenberg, J. D., ‘Generations of memory: remembering partition in India/Pakistan and Israel/Palestine’, Comparative studies of South Asia, Africa and the Middle East 25 (2005) 89-110.

Hyam, R., Britain’s declining empire: the road to decolonisation 1918-1968 (Cambridge 2006).

Jackson, A., The British empire and the Second World War (London 2006).

Kahn, Y., The great partition: the making of India and Pakistan (London 2008).

Louis, Wm. R., ‘British imperialism and the partition of India and Palestine’, in: Chris Wrigley ed., Warfare, diplomacy and politics: essays in honour of A.J.P. Taylor (London 1986).

Louis, Wm. R., The British empire in the Middle East, 1945-1951: Arab nationalism, the United States and postwar imperialism (Oxford 1984).

Ovendale, R., ‘The Palestine policy of the British Labour government 1947: the decision to withdraw’, International Affairs 56 (1980) 73-93.

Renton, J., The Zionist masquerade: the birth of the Anglo-Zionist alliance, 1914-1918 (New York 2007).

Schneer, J., The Balfour declaration: the origins of the Arab-Israeli conflict (London 2010).

Seal, A., ‘Imperialism and nationalism in India’, Modern Asian studies 7 (1973) 321-347.

Segev, T., One Palestine complete: Jews and Arabs under the British mandate (New York, 2000).

Shepherd, N., Ploughing sand: British rule in Palestine 1917-1948 (London 2000).

Shipway, M., Decolonisation and its impact: a comparative approach to the end of the colonial empires (Malden 2008).

Thomas, M., B. Moore en L.J. Butler, Crisis of empire: decolonisation and Europe’s imperial states, 1918-1975 (London 2008).

Tunzelmann, A.von, Indian summer: the secret history of the end of an empire (London 2007).

Wolpert, S., Shameful flight: the last years of the British empire in India (Oxford 2006).

 

[1] Tom Segev, One Palestine complete. Jews and Arabs under the British mandate (New York 2000) 502.

[2] ‘Dominion’ als status binnen het Britse gemenebest werd in 1926 officieel geïntroduceerd voor staten die feitelijk onafhankelijk waren maar binnen het gemenebest bleven met de Britse monarchen als soeverein staatshoofd. Dit waren tot 1947 Canada, Australië, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika, New Foundland en de Irish Free State.

[3] Alex von Tunzelmann, Indian summer. The secret history of the end of an empire (London 2007) 161-180.

[4] Peter Clarke, The last thousand days of the British Empire (London 2007) 464-513: Ronald Hyam, Britains declining empire: the road to decolonization 1918-1968 (Cambridge 2006) 109-129.

[5] Stefan Berger, Heiko Feldner en Kevin Passmore, Writing history: theory and practice (London 2003) 189.

[6] Berger e.a, Writing history, 193.

[7] John Darwin, The end of the British empire. The historical debate (Oxford 1991) 1-7.

[8] Martin Shipway, Decolonisation and its impact: a comparative approach to the end of the colonial empires ( Malden 2008) 1-3.

[9] Berger e.a., Writing history, 192-193. Het Palestijnse mandaat gebied is het huidige Israel inclusief de Westbank en Gazastrook. Het koloniale India zijn de huidige staten India, Pakistan en Bangladesh. Aan Bergers oproep om de verschillen tussen de Britse, Israëlische, Palestijnse, Indiase, Pakistaanse, en Bangladeshiaanse historiografische tradities met betrekking tot dit onderwerp in ogenschouw te nemen heb ik vanwege de beperktheid van dit onderzoek niet kunnen voldoen.

[10] Wm. Roger Louis, ‘Britsih imperialism and the partition of India and Palestine’, in Chris Wrigley ed., Warfare, diplomacy and politics. Essays in honour of A.J.P.Taylor (London 1986) 199.

[11] Naomi Sheperd, Ploughing sand: British rule in Palestine 1917-1948 ( London 1999) 224-226.

[12] Yashmin Kahn, The great partition: the making of India and Pakistan (London 2008) 64-80.

[13] Ronald Hyam, Britain’s declining empire, 130. Een mooie uitdrukking van Keynes maar wel verwarrend omdat ‘Duinkerken’ juist voor een glorieuze ontsnapping en niet voor ondergang staat.

[14] Wm. Roger Louis, The British empire in the middle east 1945-1951 (Oxford 1984) 11-14.

[15] De opdeling van Palestina werd onder bevoegdheid van de VN opgelegd. De Palestijnse staat zou echter nog lang op zich laten wachten als gevolg van de Israëlische overwinning in de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948.

[16] Louis, ‘British imperialism’, 199.

[17] Voor India de Simla conferentie van 1945 en de missie onder leiding van de minister voor India Pethik-Lawerence van 1946. Voor Palestina de Anglo-Amerikaanse onderzoekscommissie van 1946 en de Londen conferentie tussen Joden en Arabieren van 1946-1947.

[18] Louis, ‘British imperialism’, 199.

[19] Ibidem, 191.

[20] Ibidem, 191.

[21] Darwin, The end, 3-4.

[22] Shepherd, Ploughing sand, 8-14: Jonathan Schneer, The Balfour declaration: the origins of the Arab-Israeli conflict (London 2010) 366: James Renton, The Zionist masquerade: the birth of the Anglo Zionist alliance 1914-1918 (New York 2007) 7-11. Voorbeeld van een interpretatie gebaseerd op de welwillende houding vanuit christelijk perspectief ten opzichte van hetZionisme van Britse regeringsleiders als Chruchill en Loyd- George.is bijvoorbeeld historicus Martin Gilbert in Israel: a history en zijn biografie Churchill, a life. Ook Wm. Roger Louis in The British empire in the middle east 1945-1951 vermeld deze interpretatie naast de bovengenoemde propaganda motieven van de Britse regering.

[23] T.G. Fraser, Partition in Ireland, India and Palestine: theory and practice (London 1984) 68-71.

[24] Shepherd, Ploughing sand, 210-214.

[25] Ibidem, 216-217.

[26] Fraser, Partition, 80-92.

[27] Ibidem, 151-152.

[28] Darwin, The end, 43-44.

[29] Louis, The British empire, 30.

[30] Hyam, Britains declining, 125-126.

[31] Louis, ‘British imperialism’, 190-191.

[32] Louis, The British empire, 383-385.

[33] Louis, ‘British imperialism’, 201.

[34] Ibidem, 200.

[35] Fraser, Partition, 152-153.

[36] Louis, The British empire , 199.

[37] Louis, ‘British imperialism’, 201. Louis maakt hierna de geestige opmerking dat het gebrek aan Indische kiezers onder het electoraat Trumans desinteresse voor India wellicht ook verklaart. Overigens lieten Amerika en vrijwel alle Europese landen ook geen Holocaust slachtoffers toe.

[38] Louis, The British empire, 407-427.

[39] Shepherd, Ploughing sand, 228-239.

[40] Fraser, Partition, 83-85.

[41] Kahn, The great partition, 6-10.

[42] Stanley Wolpert, Shamefull flight: the last years of the British empire (Oxford 2006) 10.

[43] Wolpert, Shamefull flight, 1, 120-124: Louis, ‘British imperialism’, 210.

[44] Fraser, Partition, 146-148.

[45] Louis, The British empire, 428.

[46] Ibidem, 438- 439.

[47] Darwin, The end, 1-7.

[48] Ibidem, 1-7.

[49] Louis, ‘British imperialism’, 190.

[50] Wolpert, Shamefull flight, 2.

Even voorstellen; Rutte III “Vertrouwen in de toekomst”

Na de langste formatieperiode ooit in onze parlementaire geschiedenis is het eindelijk zover. We hebben een nieuw kabinet, een uitstekende zaak aangezien enige leiding altijd nodig is, en een regeerakkoord. Het regeerakkoord is uiteraard al lek geschoten door de oppositie en in allerlei media. Met name de discussies over de doorrekeningen van het CPB verbazen mij altijd weer, aangezien het CPB nog nooit een adequate berekening heeft afgeleverd. Logisch, aangezien ze in hun berekeningen geen rekening houden met allerlei onvoorziene omstandigheden en factoren. Iedere planner in het bedrijfsleven kan hun dan ook vertellen dat een regeerakkoord niet meer is dan een richtlijn voor de komende jaren. Een richtlijn waar vanaf geweken wordt zodra de omstandigheden het toelaten. Planningen, prognoses en regeerakkoorden zijn dan ook niet meer dan elastiek. Daarmee sluit het regeerakkoord naadloos aan bij de waarde die we hechten aan een verkiezingsbelofte.

Maar genoeg over de gebakken lucht die een regeerakkoord is. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de naam negeerakkoord. Laten we eens kijken naar de poppetjes die de gebakken lucht mogen realiseren. Ieder bedrijf kiest een stevige leiding op basis van competenties en vaardigheden. De uitzondering op de regel is trouwens het politieke bedrijf, daar verkrijg je een functie op basis van wie je kent en hoe goed je in de groep ligt. De gevolgen hebben we gezien bij Rutte II. Een Schoeversmeisje op Defensie, een oud rechercheur van de FIOD op Economische Zaken, een universitair docent informatierecht met buitengewoon verlof op Sociale Zaken en Werkgelegenheid en tevens vice-premier, een politicologe op Volksgezondheid en dat alles onder de bezielde leiding van een Minister-President afgestudeerd in geschiedenis. Tijd dus om onze nieuwe bewindslieden eens langs de meetlat te houden.

“Even voorstellen; Rutte III “Vertrouwen in de toekomst”” verder lezen

Sigrid Kaag en de ultrazionistische paniek

Gisteren rond 18.00u was er plots consternatie op ultrazionistisch twitter. RTL kwam met het bericht dat naast Halbe Zijlstra ook D66 diplomate Sigrid Kaag minister van buitenlandse zaken wordt.

“Sigrid Kaag en de ultrazionistische paniek” verder lezen

Allahahahaha, de zionist

Excuus beste lezer. Ik schoot gelijk in de lach. Bij gebrek aan hypocriete of domrechtse tweets van Bart Schut gisteren -hij heeft zo af en toe zijn goede dagen – dacht ik  even voor de lol zijn laatste stuk te kloosrieden. Dat laatste stuk bleek niet geheel toevallig een typisch Schutiaans eigenpijperig dom stuk waarbij de titel mij gelijk deed schateren.

Allah bestaat immers niet. Toch gaat Bart heel stoer in dit stuk beweren dat op basis van de Koran, Allah als zionist bestempeld kan worden. U weet, moslims zijn niet zo’n fan van de staat Israël om het eufemistisch uit te drukken en dus zet Bart Allah in om de moslims te vertellen dat ze niet alleen hypocriet maar ook erg dom zijn. Dit allemaal ter meerdere eer en glorie c.q. verdediging van de staat Israël en haar volgens internationaal recht illegale kolonisatie van de Westbank. Want, als hulllie de moslims hypocriet en dom zijn, dan hoeft Israël zich niet aan het internationaal recht waaronder de 4e Geneefse conventie te houden. Of zoiets.

Ik hoor u denken:’Waarom deze gekkigheid en gedachtengang van mavo 4 niveau ten opzichte van zoiets ingewikkelds als het Israëlisch-Palestijns conflict? Wellicht zal een en ander duidelijker worden al gaande de kloosried. Daar gaan we:

Allahahahaha, de Zionist

Ik schiet weer in de lach. Allah als zionist is richting moslims natuurlijk een provocerende titel. Bart moet altijd een beetje om zich heen schoppen met zijn titels of stukken. Zie bijvoorbeeld zijn stuk ‘Flikker toch op met je antisemitisme!‘ voor de Joop.nl

“Joden, herinner je Khaybar, het leger van Mohammed keert terug,” riepen razende demonstranten eind juli in Rotterdam tijdens hun steunbetuiging aan de Palestijnen op de Tempelberg.

De vertaling is wat vrij, maar zeker accuraat.  In het Arabisch rijmt het ook nog: Khaybar, Khaybar ya yahud, jaish Muhammad sa ya’ud. 

Bart Neemt ons mee naar een anti-Israël demo in Rotterdam waar antisemitische leuzen werden geroepen. Na een Palestijnse aanslag op de Tempelberg wilde Israël veiligheidspoortjes plaatsen bij de toegang voor Palestijnen. De Tempelberg is de open religieuze zenuw van het conflict en iedere verandering van de status quo leidt tot rellen. Bart doet zich hier voor als een heuse Arabist. De vertaling die hij geeft van de arabische leus ‘is wat vrij maar zeker accuraat’. Dit lijkt mij in tegenspraak met elkaar maar dat doet er natuurlijk niet toe. Bart doet hier alsof hij verstand van Arabisch heeft. Dodelijk. Het rijmt ook nog de leus! Dat wel.

De islamitische demonstranten herinnerden weinig subtiel aan  de nederlaag die de Joodse Banu Nadir-stam in het jaar 628 leed tegen het leger van de profeet tijdens de Slag bij Khaybar.
Dat mag je best een dreigement noemen, lijkt mij, en antisemitisch is het sowieso. (Hoewel, als zij Joden echt bang willen maken, kunnen de demonstranten beter refereren aan de ‘Slag van de Gracht’ in 627, waarna Mohammed honderden Joodse mannen liet onthoofden en hun vrouwen en kinderen tot slaven maakte. Maar ja, wat weten moslims nou over hun geloof.)

Ja, als een meute moslims dit roept dan lijkt mij dat voor Joden bedreigend. Of de leus an sich ‘sowieso’ antisemitisch is weet ondergetekende niet. Dat hangt van de context af. Ondergetekende erkent de ernst van het fenomeen antisemitisme dus gaat daar voorzichtig mee om. Bart niet. Sinds Bart voor de tot het Jodendom bekeerde Esther Voet werkt, strooit hij met antisemitisme beschuldigingen alsof het pepernoten zijn. Sterker nog, Bart doet hier nog een suggestie hoe moslims nog antisemitischer kunnen zijn dan ze al zijn door naar de ‘Slag van de Gracht’ (vertaling is wat vrij, maar het rijmt bijna) te verwijzen. Dat bedoelt hij niet echt natuurlijk. Schut etaleert zijn wikipedia historische feitenkennis en maakt nog eens duidelijk hoe verschrikkelijk de moslims tegen Joden waren en dus zijn. En dan volgt de opmaat naar Schuts punt van het hele stuk: moslims zijn niet alleen antisemitisch, ze weten ook nog eens niets van hun eigen geloof.

Het was niet het eerste voorbeeld van islamitische Jodenhaat op de Nederlandse openbare weg. In 2014 uitten demonstranten in de Haagse binnenstad al hun woede over de acties van de IDF tegen Hamas in Gaza door met borden rond te lopen waarop de davidster gelijkgesteld werd aan het hakenkruis. En een paar maanden later scandeerden IS-aanhangers in twee talen ‘dood aan de Joden’ op de Haagse Hoefkade.

Islamitisch antisemitisme is een groeiend probleem in Nederland, zonder meer. Of ‘de Staat Israël met Nazi Duitsland vergelijken’ op het moment dat de laatste disproportioneel een dichtbevolkt gebied tot stof bombardeert, met meer dan 1000 omgekomen vrouwen en kinderen als slachtoffer, antisemitisme is? Ik vind het kwetsend en overdreven maar geen antisemitisme. ‘Dood aan de Joden’ roepen uiteraard wel.

Wannabe jihadi’s
Ik was erbij in 2014 in de Schilderswijk, toen de voornamelijk Nedermarokkaanse wannabe jihadi’s hun haat tegen het Joodse volk uitschreeuwden, en ook toen hoorde ik de verwijzing naar Khaybar. Ik heb daarna uitgezocht hoe dat nu zit met de zo vaak veronderstelde Jodenhaat van de islam. Het zou te ver gaan daar nu uitgebreid op in te gaan – dat is iets voor een meer doorwrochte analyse – maar kort door de bocht kwam ik tot de volgende conclusie: veel moslims zijn antisemitischer dan de islam rechtvaardigt. Sterker nog, in de Koran zijn teksten te vinden die niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan als (proto)zionistisch.

Hier een doorwrochte analyse van islamitisch antisemitisme in Nederland, Bart. Goed dat je aankondigt dat je kort door de bocht gaat want dat hadden we al door natuurlijk. Hahaha. Maar tjonge jonge Bart wat een opzienbarende conclusie zeg! ‘Komt die onderbouwing!’:

Leest u even mee? “En daarna zeiden wij tot de kinderen van Israël: ‘Bewoon het land. Wanneer de belofte van het eeuwige leven uitkomt, brengen Wij jullie allen tezamen’ (Soera 17, 104). En: ‘Mozes zei tot zijn volk: (…) Ga het heilige land binnen dat God aan jullie heeft toegewezen en keer het niet de rug toe’ (Soera 5, 20/21). De verzen – voor moslims het letterlijke woord van God! – laten aan duidelijkheid nu eens niets te wensen over. Israël mag niet alleen bewoond worden door de Joden, nee, Allah beveelt hen zelfs dit te doen. Zowel voor als na het einde der tijden.

Nou we hebben meegelezen en we vielen van onze stoel. Die gekke moslims snappen er niets van. Op basis van de eerste Soera kun je concluderen dat Allah tegen de Joden zegt ‘ga in Israël wonen’! Dat staat natuurlijk WEL op gespannen voet met het onteigenen van islamitische Palestijnen en het als tweederangs burgers behandelen van moslims in dat land. Dan denken wij vooral aan de bezette Westbank. Ik dacht altijd dat Joden – hoewel een ‘volk van het boek’ met zekere rechten- volgens de Koran en de Hadith juist als tweederangsburgers behandeld dienen te worden binnen de islam. Niet andersom Bart. In de tweede Soera citeert Allah Mozes. Zonder context zegt deze Soera niets over wat Allah van de Joden wil. Dus los van het totaal onzinnige punt dat Bart met dit stuk probeert te maken en het kort door de bocht gaan, is de onderbouwing van al deze onzin ook nog ontstellend zwak.

Akkoord, Joden hoeven zich niets van de bevelen van Allah aan te trekken, die hebben de handen vol aan de regels die hun eigen God hen heeft toebedeeld, maar moslims… dat is een ander verhaal. 

Bart blijft voort borduren op pertinente onzin.

Hij die de twee hierboven genoemde teksten verwerpt, verwerpt de Koran. En hij die de Koran verwerpt, is geen moslim meer, maar een afvallige. Allah belooft Israël aan de Joden, het staat letterlijk in de Koran, en hij doet dat bij monde van Zijn profeet. Hij-met-een-hoofdletter is een goddelijke zionist en de mens Mohammed is dat ook, misschien wel de eerste, dik 1200 jaar voor Herzl. Anders dan Unesco ontkennen Allah en Mohammed niet de Joodse origines van Jeruzalem, nee, zij erkennen ruiterlijk dat ‘Al-Quds’ zo belangrijk is voor Joden als Mekka voor moslims.

Wat? Op basis van twee Soera’s die zoals boven uitgelegd niets zeggen over wat Allah aan de Joden belooft, zijn Allah en Mohamed eigenlijk zionisten dik 1200 jaar voor Herzl? Dan moet je de ‘Dood ze (de Joden sic) waar je ze kan vinden’ en ‘de apen en varkens’ Soera’s wel even wegdenken. Welke Soera heeft voorrang op welke Soera Bart?

Dus als het leger van Mohammed echt terugkeert, zoals de meutes in Rotterdam en Den Haag scandeerden, zal dat niet zijn om de Joden te bestrijden, maar eerder om de grenzen van Israël (inclusief de Westelijke Jordaanoever, geen ‘bezet gebied’ volgens de Koran) te beschermen tegen eenieder die hen kwaad wil doen. Een moslim die dat ontkent, is – nogmaals – een afvallige, een murtad. En we weten allemaal welke straf daarop staat in de sharia.

Echt waar Bart? Ik denk dat je hier op alle fronten voor Schut gaat met een ongelooflijk domme conclusie, gebaseerd op een ontstellend zwakke onderbouwing van een punt dat van zichzelf al zo onzinnig is, dat je er nooit aan had moeten beginnen. Ook goed van je dat je nog even benadrukt dat de Westbank volgens de koran geen bezet gebied is. Wat wil je hier nu precies mee zeggen? Dat Palestijnen op de Westbank niet moeten zeuren? Mogen de 100.000 Palestijnse christenen daar wel zeuren? Nee hè. Of steun jij inmiddels de illegale kolonisatie van de Westbank tegen internationaal recht in?

Wat je eigenlijk met dit hele stuk wil zeggen Bart is:’Moslims zijn stom’. En antisemieten! Dat is een boodschap die het goed doet bij jouw domrechtse klapvee en is standaard repertoire van het ultrazionistische papagaaienkoor. Dat jij dit in een totaal onzinnig prut stukje bij het oudste nog bestaande weekblad van Nederland mag publiceren is natuurlijk triest maar heeft alles te maken met je bazin Esther Voet. Jij levert als broodschrijver waar voor je geld door zo af en toe af te dalen naar haar niveau. Dat is zoals uit deze kloosried blijkt best een prestatie op zich. Dus hulde voor die professionaliteit Bart! Omejan kijkt uit naar je volgende stukkie!

Briefje van Omejan: aan Leon de Winter

Beste Leon,

Ik zag vanochtend één van je gebruikelijke ophits tweets. Je kent ze wel. Een puntje scoren met het argument ‘ja maar hullie toen….hullie zijn….zijn..hypocriet!’ ‘Hullie’ betrof weer eens de NOS. Die onuitputtelijke bron voor rechtse verongelijktheid. Ik hoorde dat jouw zeer te duchten concurrent in de verkiezing ‘De Grootste Onplezierige Narcist van Nederland’ Arnold Karskens zelfs een actie tegen de gaslighters van de NOS begonnen is. Uitmelken die verongelijktheid! Als er een markt voor is, wie is Arnold dan, om die niet te bedienen met een leuk Afghaans hoedje op?

Maar laten we even wat dieper ingaan op de ingegroeide aarshaar die je op voelde spelen toen je het item van de NOS zag over de gewelddadige no go areas in Zweden. Wat is het probleem? Dat Trump werd uitgelachen om zijn uitspraak ‘kijk wat er gisteravond gebeurde in Covfefe de hoofdstad van Nambia’! Dat vind jij erg. Overigens was er die avond ook echt niets gebeurd in Covfefe maar dat ter zijde. Het is jou natuurlijk te doen om dat uitlachen. Jij voelt mee met Trump. De grootste, meest weerzinwekkende oetlul die ooit het Amerikaans presidentschap vervulde, daar voel jij je verwant mee. Ik denk Arnold Karskens ook. En natuurlijk Uri van As van Opiniez, die elke keer wanneer Trump mensen schoffeert een spontane zaadlozing schijnt te krijgen.

En daarom hep Trump gelijk! Als Trump de grenzen niet had gesloten voor moslimimmigranten, dan had de aanslag in Las Vegas nooit gebeurd! Jij wist direct dat Trump toen gelijk had want Wierd Duk had laatst iemand uit Zweden gesproken die had gezegd dat dit en dit en dat stond te gebeuren in Covfefe de avond voor dat Trump die speech ging houden. Het is allemaal zo oneerlijk!

Ik schrok ook van de tweet moet ik zeggen. Niet vanwege de inhoud maar de manier waarop hij bij mij in de timeline terecht kwam:

Hij werd geretweet door de opa van ‘de naargeestige kinderen van Theo van Gogh’ (dixit Bart Nijman van Geenstijl) Theodore Holman. Dat Holman als beste vriend van Van Gogh deze gekkigheid van jouw doorstuurt dat verbaast mij. Jullie zijn allebei schrijvers dus dan mag de gekkigheid allemaal net een stukje erger dan bij de rest. Dat snap ik wel. Maar uhh….. Ach laat ook maar.

PS: Overigens heb je in de kern gelijk natuurlijk Leon. Zweden gaat eraan. En wij ook!

De praktische gevolgen van de gendergekte

Vandaag heeft onze aankomende demissionaire regering besloten om registratie van genders in te perken, en waar nodig helemaal te vermijden. Een oplossing voor een probleem dat alleen bestaat in de hoofden van een dusdanig kleine minderheid, dat het bij mij persoonlijk vragen oproept waar deze symboolpolitiek voor nodig is. Het helpt niemand, het is anti-wetenschappelijk (immers: iedere tienjarige weet na één biologieles dat er slechts 2 chromosomen bestaan die je geslacht bepalen) en zorgt enkel voor verwarring en vervreemding. In eerste instantie zou het alleen maar gaan over dingen zoals briefaanheffen vanuit de overheid, maar de voetnoot ‘Waar nodig gaan we het vermijden.’ laat nogal wat speelruimte over. En dat kan beide kanten op gaan. Laten we eens kort doornemen van wat deze dictatuur van de minderheid kan betekenen als dit beleid de komende jaren wordt opgerekt naar andere sectoren. Want, zoals we allemaal weten, dit is slechts een eerste overwinning voor de SJW’s in den lande. En nu ze bloed ruiken, gaan ze voor de volle mep. Volledige genderneutraliteit in alle aspecten van onze samenleving. Daarom is het handig om een overtrokken doch praktisch beeld te schetsen van de maatschappij die ontstaat als zij met hun succesvolle lobby compleet hun zin krijgen. “De praktische gevolgen van de gendergekte” verder lezen